Molen De Zeelt, Dordrecht

Dordrecht, Zuid-Holland
v

korte karakteristiek

naam
De Zeelt
modeltype
Kantige molen, stellingmolen
functie
oliemolen
bouwjaar
verdwenen
toestand
verdwenen
Toon op Google Maps met andere molens in de buurt  
Toon op Google Maps met andere molens in de buurt
Ten Bruggencate-nr.
01518
oude dbnr.
V919
Meest recente aanpassing
| Foto
media-bestand
Molen 01518 De Zeelt (Dordrecht)
Ansichtkaart Serie 81, nr. 2

locatie

plaats
Dordrecht
plaatsaanduiding
aan de 's-Gravendeelsedijk aan de Maas
gemeente
Dordrecht, Zuid-Holland
streek
Eiland van Dordrecht
kadastrale aanduiding 1811-1832
Dubbeldam A (1) 106 Adrianus Bemolt Gz., koopman
geo positie
X: 104275, Y: 424835
N: 51.80984, O: 4.65166

constructie

modeltype
Kantige molen, stellingmolen
krachtbron
wind
functie
romp
achtkante bovenkruier op vierkante onderbouw rietgedekt achtkant
plaats bediening
stellingmolen
bediening kruiwerk
buitenkruier
plaats kruiwerk
bovenkruier
vlucht
24 m
afbeelding van onze ondersteuners

geschiedenis

toestand
verdwenen
bouwjaar
verdwenen
geschiedenis

Bron: Draaiende wieken, stappende paarden - Molens op het Eiland van Dordrecht, C.J.P. Grol en J. Zondervan-Van Heck, Jaarboek 2008 Historische Vereniging Oud-Dordrecht.
Bron: Mw H.W.G. van Blokland-Visser, Papendrecht, jan. 2016.

Eigenaren:
1688:
De molen werd in 1688 gebouwd voor Margareta de Vries, wed. van Rochus van Wesel. Zij verkocht de molen aan haar schoonzoon.
1688-1711:
HENDRIK TAAY (ca 1650 Tiel/1711 Ddr) tr 1675 Ddr Anna van Wesel Rochusdr.
Hendrik Taay, de schoonzoon van Margareta de Vries koopt de molen die verschillende keren met zijn molen als belending van nabij gelegen onroerend goed genoemd wordt in aktes.
1711:
ANNA v WESEL Rochusd (1654 Ddr) wed. v Hendrik Taay.
1730:
SIMON TAAY Hendrikz ( 1677/1734 Ddr), tr 1711 Ddr Elisabeth de Bruijn Pieters.
1730-1754:
SIMON TAAY Simonz (van Campen) (1711/1754 Ddr), tr Ddr Maria Lepla Hendriks.
1749:
ANTHONY den BANDT huurt voor de duur van 4 jaar de molen van SIMON TAAY van CAMPEN
Simon Taaij van Campen verhuurt aan Anthony den Bandt voor ruim 4 jaar, 8maanden en 10dagen voor f 650 per jaar de ‘windoliemolen, solders, pakhuijsen, oliebakken, huijsinge, tuijn, gaande ende staande werk, zijlen en verdere gereedschappen staande en gelegen omtrent de Steenplaats aan de ‘s Gravendeelsedijk op grond van Dubbeldam’. Alle vaste lasten die op de molen waren gevestigd kwamen voor rekening van de huurder, waarbij de verplichting bestond alles goed te onderhouden.
1754-1779:
MARIA LEPLA Hendriks (1712/na 1756 Ddr) wed. v Simon Taay Simonz van Campen verkocht de molen aan ANTHONY den BANDT.
Diens enige ongehuwde dochter Anna Maria den Bandt verkocht met behulp van haar oom Nicolaas den Bandt de molen aan haar andere oom Huijbert den Bandt. De molen was vermeld met verpondingsnummer 69.
1779-1800:
HUYBERT den BANDT
1800-1824:
THOMAS ’t HOOFT½, PIETER du FAIJEN½.
Thomas en Pieter werkten 24 jaar samen, daarna verkochten zij het molencomplex inclusief gereedschappen en de koepel aan Adrianus Bemolt Gerritszn., die daar f 5.000 voor betaalde.
1824-1861:
ADRIANUS BEMOLT GERRITSZ.
1861-1874:
MARGARETHA de ZWART wed. Adrianus Bemolt
In 1866 had de provincie Zuid Holland een stuk grond nodig nabij de molen, voor de aanleg van de spoorwegverbinding naar Willemsdorp. Margaretha, die nog vijf minderjarige kinderen had, moest door de arrondissementsrechtbank van Dordrecht gemachtigd worden om te verkopen. Tot voogd over de kinderen werd de olieslager Johannes Hendrik Lebret aangesteld. De verkoop werd goedgekeurd voor f 2.500. Vier jaar later kocht de weduwe weer een stuk grond terug van de provincie. Margaretha de Zwart wilde in 1874 de gezamenlijke boedel, die zij met haar overleden man had, scheiden en delen onder haar, nu meerderjarige, kinderen.
1874-1876:
GERARDUS ADRIANUS BEMOLT 

1876-1904 Johannes Hendrik Lebret 
De Zeelt, met het molenaarshuis en erf (de koepel was in 1870 gesloopt) ging over op haar zoon Gerardus Adrianus Bemolt. Twee jaar later kwam de weduwe met haar kinderen opnieuw bijeen, nu als erfgenamen van de overleden zoon Gerardus Adrianus Bemolt. Zij verkochten De Zeelt met alles wat erbij hoorde aan de vroegere voogd van de kinderen, Johannes Hendrik Lebret, die toen ook de stoomoliemolen De Hazewind aan het Achterhakkers in eigendom had. Hij was een broer van de Dordtse kunstschilder Frans Lebret.
Hij overleed in 1904 en in 1905 liet zijn tweede vrouw en weduwe Jenneke Groenendaal de gezamenlijke boedel inventariseren. In de lijst met onroerende goederen stond ook De Zeelt. In het door de erflaatster gemaakte testament was bepaald dat zoon Adrianus Jacobus alle onroerende goederen kreeg aanbedeeld.
16-07-1893:
Op 16 juli 1893 zond A.J. Lebret vanuit Dordrecht een briefje aan de firma Klaas Haremaker & Zn in Koog aan de Zaan met verzoek om een paar naslagharen. "Voor mijn windmolen, van volkomen hetzelfde model als de haren van mijn stoommolen De Hazewind", schreef Lebret.
Daaruit blijkt dat het bedrijf van de stoomoliemolen De Hazewind (zie Ten Br. 03940 m) in 1893 nog een windmolen in bedrijf hield. De naam van de windmolen noemde Lebret helaas niet, maar uit bovenstaande informatie blijkt dat het De Zeelt betreft. Het briefje is in mijn bezit.
Ron Couwenhoven, 11 aug. 2012 & 10 september 2013.
1905:
ADRIANUS JACOBUS LEBRET Adrianus Jacobus Lebret, lid van de gemeenteraad van Dordrecht, verkocht de molen in 1922 aan de aannemer Gerrit Hendrik Hubers voor f 11.120. De molen werd nog in dat zelfde jaar door Hubers gesloopt.
1922-1926:
GERRIT HENDRIK HUBERS
In de tijd dat Piet van der Stigchel molenaarsbaas was op de molen, werkte hij samen met drie knechts, bij gunstige wind soms wel 18 uur per dag. Als er geen wind was werd er schoongemaakt, gerepareerd of slaap ingehaald. Bij hoog water liep het water tot in de molen en moesten de oliebakken worden afgedekt. Eenmaal stroomden de bakken toch vol met water en liep de olie tot in het woonhuis, zodat ze de doordrenkte muren alleen nog schoon kregen door deze tot op de stenen toe af te hakken. Van der Stigchel was 55 jaar lang molenaarsbaas op De Zeelt.
Bron: onbekend.

Geheugensteuntje
Met behulp van dit vers konden de Dordtenaren de namen van alle oliemolens op Eiland van Dordrecht onthouden. Op basis van bouw- en sloopjaren van de genoemde molens moet het tussen 1802 en 1832 gemaakt zijn. De olieslagers waren in die tijd allemaal aangesloten bij een confrérie van olieslagers, een soort gilde/broederschap.

Het Klaverblad, dat maalt zo snel,
De Karnton, die weet het wel (Waker)
Het Seimpje met zijn kloek verstand,
dat maalt zijn zaadjes kort en kant (De Zwarte Arend)
De Lelie is een mooie blom,
De Waker lacht daar echter om (De Wakende Kraan)
De Reiger staat nogal in het riet,
Waar De Kat zeer fel op ziet
De Oude Ruiter ruitert snel,
De Haan die kraait des morgens wel
De Uil staat reeds voor de ploeg (De Valk)
Als De Sprokkelaar zijn dingen doet (Het Anker)
De Wever weeft zijn garen fijn (De Willem I)
De Zeelt die wil gevangen zijn
De Bakker bakt zijn brood te licht (De Hoop)
De Poortklok heeft dit lied gedicht (De Karper)

aanvullingen

trivia

De Zeelt had een middelbalk als lange spruit, iets dat in Zuid-Holland uitzonderlijk was. Echter ook een andere Dordtse molen, de nog bestaande Kijck over den Dijck, heeft (heel) vroeger een middelbalk gehad.
Rob Pols.

NB. Als mogelijk bouwjaar is ook 1781 genoemd. Dit komt niet overeen met de bovenstaande gegevens, maar het suggereert dat de molen mogelijk herbouwd is door Huijbert den Bandt. Een bron hiervoor ontbreekt.

Tekst 3e foto:
Een foto van de molen met 'mooimakersgoed' en in de vreugdestand, waarschijnlijk ter gelegenheid van een koperen bruiloft. Bronnen en jaartallen zijn echter tegenstrijdig. Het is òf voor Johannes Hendrik en zijn tweede vrouw rond 1895 òf voor Adrianus Jacobus en en zijn echtgenote M.C. van Brakel rond 1904.
steden, scheepvaart, bruggen, Kalkhaven, Oude Maas, Zwijndrechtse Brug

foto's

foto's