Molen Aurora, Baexem

Baexem, Limburg
b

korte karakteristiek

naam
Aurora
modeltype
Standerdmolen, grondzeiler
functie
korenmolen
bouwjaar
herbouwd
1971
bedrijfsvaardigheid
Maalvaardig
bestemming

Het malen van graan, thans op vrijwillige basis

adres
Rijksweg 26a
6095 NC Baexem
Toon op Google Maps met andere molens in de buurt  
Toon op Google Maps met andere molens in de buurt
Ten Bruggencate-nr.
12350
oude dbnr.
B398
Meest recente aanpassing
| Bedrijfsvaardigheid
media-bestand
Molen 12350 Aurora (Baexem)
Bernd Käding (18-10-2017)

locatie

plaats
Baexem
gemeente
Leudal , Limburg
kadastrale aanduiding
Gemeente Baexem, sectie E, nr. 1335
geo positie
X: 189208, Y: 359462
N: 51.22350, O: 5.87688
biotoopwaarde
3 (matig)
landschappelijke waarde
Niet onbelangrijk, maar inmiddels is de molen sinds de overplaatsing alweer behoorlijk ingegroeid geraakt.

contact en bezoek

bezoek/postadres
Rijksweg 26a
6095 NC Baexem
molenaar
Frans Verstappen / Wim Kierkels / Joël Kerbel
telefoon
0475-452397
social media
open voor publiek
ja
open op zaterdag
nee
open op zondag
nee
op afspraak
ja
openingstijden

Woensdag 12.00 - 16.00 uur en derde zondag van de maand 13.00 - 17.00 uur en op afspraak.

toegangsprijzen
winkelinformatie
meelverkoop
nee
museuminformatie
gericht op scholen
nee
bijzonderheden
fietsroute
fietsroute in de buurt van Aurora via fietsnetwerk.nl

constructie

modeltype
Standerdmolen, grondzeiler
krachtbron
wind
functie
romp
Standerd gedekt met dakleer; kast overwegend licht oranje geverfd; trapweeg grijs geverfd; borst gedekt met gepotdekselde planken.
kap
Gedekt met dakleer
inrichting

Eén koppel 17der kunststenen; sleepluiwerk (tegen de binnenzijde van het bovenwiel).

versieringen

Aardige windwijzer boven op de kap, versierd met dubbele Franse lelies

plaats bediening
grondzeiler
plaats kruiwerk
middenkruier
kruiwerk
Zetelkruiwerk. Kruihaspel.
vlucht
25,24 m.
vang
Vlaamse vang; onbekend aantal stukken. Vangbalk met haak; vangtrommel.
overbrenging

Bovenwiel 73 kammen
Steenschijfloop 15 staven
Overbrengingsverhouding 1 : 4,87

hoogte
wiekvorm
Oud-Hollands
Kantel uw mobiel om de tabellen helemaal te zien
wiekenkruis
fabrikant roenummer positie bouw fabricagejaar jaar gestoken positie jaar verdwenen lengte
Derckx ✉︎ 1005 binnen 2006 2006 binnen aanw. 25,24
Derckx ✉︎ 1006 buiten 2006 2006 buiten aanw. 25,24
Pannevis ✉︎ g.n. binnen 1876 1972 binnen 2005 25,30
media-bestand
Roede g.n., Pannevis
Pannevis
✉︎ g.n. buiten 1876 1972 buiten 2005 25,30
Fransen ✉︎ g.n. buiten 1925 1925? buiten 1971? 25,50
Pot ✉︎ ? binnen ? binnen 1971 25,50
wiekverbeteringen

Van 1934 tot 1953 had deze molen op beide roeden het systeem Dekker. In dat laatste jaar is het systeem Van Bussel aangebracht.
Na de overplaatsing van 1971 zijn de roeden Oud-Hollands opgehekt.

bovenas
fabrikant asnummer fabricagejaar jaar gestoken jaar verdwenen lengte
onbekend ✉︎ ? ? aanw.
afbeelding van onze ondersteuners

geschiedenis

toestand
werkend
bouwjaar
bedrijfsvaardigheid
Maalvaardig
bestemming

Het malen van graan, thans op vrijwillige basis

molenmaker
?? (1845) Fa. Adriaens, Weert (1971)
omwentelingen
geschiedenis

De vorstin-abdis van Thorn bezat in Baexem het recht van molendwang. De inwoners van Baexem, dat voor de Franse Tijd tot het vorstendom behoorde, waren aanvankelijk aangewezen op de watermolen van Dasselrode, die reeds in 1244 eigendom van het stift in Thorn was. De molen was een graan- en oliemolen en lag op de latere Tungelroyse Beek bij de Slagmolenbrug. De watermolen werd reeds vroeg afgebroken, waarna de eerder genoemde Leveroysche molen, die eveneens in 1244 eigendom van het stift was, het maalrecht kreeg. De Leveroysche molen werd later het eigendom van het klooster St. Elisabethsdal in Nunhem. Als deze molen te weinig water had, waren de inwoners verplicht naar de watermolen van Grathem te gaan.

Na afschaffing van de molendwang (1790) duurde het tot 1845 voordat in Baexem een windmolen werd gebouwd. Het dorp telde toen ongeveer 500 inwoners, overwegend landbouwers, waarvan de boerderijen en de huizen nogal verspreid stonden.
De kleine kern met de parochiekerk lag oorspronkelijk bij de weg Weert-Roermond. De douairiére Maria Agnes Engelbertina, barones de Keverberg d'Aldenghoor, geboren barones de Kerkerinck-Borg, die op kasteel Aldenghoor in Haelen woonde, liet in 1845 de windmolen, die tussen de dorpen Haelen en Horn stond, naar Baexem verplaatsen. Zij kocht daarvoor van de landbouwer Mathias Berben in Baexem een perceel bouwland op het Herkerveld of het Kerkveld.
In 1853 verkocht de barones de molen aan Conrad Bartholomeus Canoy, die op een kasteeltje in 't Schoor, in Baexem woonde. Hij was eigenaar van een brouwerij en een branderij, die op het Schorsveld stonden. In hetzelfde jaar kocht Canoy ook de Leveroysche watermolen. Beide molens vererfden in 1859 aan Jan Mathijs Canoy in Baexem.
Bij de boedelscheiding in 1885 kreeg Severinus Canoy de windmolen toegewezen. Hij was priester en leraar aan het Bisschoppelijk College in Weert. In 1905 liet Canoy bij de molen een magazijn met een machine- en een generatorkamer bouwen, waarin een maalstoel en een 22 PK Crossley-zuiggasmotor werden geplaatst. Waarschijnlijk werd de voet van de standaardmolen in hetzelfde jaar van een paraplu voorzien, waardoor de standaardmolen halfgesloten werd.

In 1918 verkocht Severinus Canoy de windmolen met de motormaalderij aan Jan Winkelmolen, molenaar op de standaardmolen van Buggenum. Winkelmolen stierf al in 1923 en liet een vrouw met negen kinderen achter. Zijn weduwe zette het bedrijf nog tot 1930 voort, eerst  bijgestaan door molenaarsknecht Martinus Weekers, zoon van de molenaar van Ospel en vervolgens door Bernard Roelofsen en haar oudste zoon Sjeng, naar zijn vader Johannes Hubertus genoemd.

In de jaren twintig en begin dertig stond op de zijkanten van de kast een reclame van het margarinemerk Blue Band. De molen stond in die tijd vlakbij de spoorlijn Eindhoven-Roermond-Maastricht en vormde een markant punt langs de lijn voor de treinreizigers. De aanwezigheid van een grote reclame deed nogal afbreuk aan de landschappelijke waarde van de molen, zo oordeelde de schoonheidscommissie toen de molen een nieuwe verfbeurt kreeg. De molenaar van een standaardmolen was door die reclame echter verzekerd van een goede en regelmatige verfbeurt van de omvangrijke bovenbouw en bovendien leverde de reclame hem jaarlijks nog iets extra's op. In de crisisjaren van 1930 waren dergelijke inkomsten zeer welkom, want onderhoudssubsidies of andere vormen van overheidssteun waren toen vrijwel onbekend.

In maart 1930 bood de familie Winkelmolen de molen met de motormaalderij te koop aan. Het molenaarsbedrijf werd gekocht door Hubertus Gerardus Wilhelmus Grubben, bakker te Baexem. Deze verhuurde de molen aan de eerdergenoemde Martinus Weekers, totdat die de molen van zijn vader in Ospel overnam. Intussen vestigde Sjeng Winkelmolen zich in Gemert (N.B.), waar hij de stenen bergkorenmolen bij de zuivelfabriek had gekocht.
In de zomer van 1934 liet Grubben door molenmakers Van Beek het systeem Dekker aanbrengen. Tevens liet hij de zuiggasmotor vervangen door een elektromotor. De molen werd toen gehuurd door Peter Martinus Hubertus Weekers en vervolgens door Hoex.

Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog vond Grubben geen huurder meer en nam vervolgens zelf de exploitatie ter hand. In 1945 voerde Grubben met zijn knecht een reparatie aan een molenwiek uit, maar toen de molen daarbij plotseling begon te draaien, sprong Grubben af en raakte dodelijk gewond, zijn knecht bleef ongedeerd. De weduwe Grubben verpachtte de molen later aan de landbouwer Brouwers, wiens boerderij naast de molen stond. Hij maalde echter uitsluitend elektrisch.

In 1953 verkeerde de molen door de stilstand in een zodanige staat, dat een uitwendige restauratie nodig was. Met behulp van subsidies kon het werk nog in hetzelfde jaar worden uitgevoerd. De molenmakers Adriaens stroomlijnden de wieken met het systeem Van Bussel met remkleppen; de borst werd met horizontaal gepotdekselde planken afgewerkt. Kap en paraplu werden met Icopal bekleed; de kast was grijs geschilderd met lichtgele biezen.
Op 12 december 1953 werd de molen feestelijk in bedrijf gesteld.

Daarna werd evenwel nog maar sporadisch met de wind gemalen: de opkomst van mengvoeders maakte dat er voor de molen geen emplooi meer was, stilstand volgde en in de loop der jaren kwam het verval opnieuw.

Op het einde van de jaren zestig benaderden de Provinciale Waterstaat, toentertijd zeer actief op het gebied van molenbehoud, De Hollandsche Molen en de Rijksdienst voor de Monumentenzorg het gemeentebestuur van Baexem om de molen aan te kopen en te laten restaureren. De gemeente was daartoe echter niet bereid.

Anno 1968 diende zich evenwel een andere geïnteresseerde aan: de gemeente Herkenbosch. In Melick was de daar aanwezige standerdmolen in 1944 slachtoffer van oorlogshandelingen geworden en de gemeente Herkenbosch, waarvan Melick deel uitmaakt, wilde de molen van Baexem wel kopen om deze vervolgens naar Melick over te plaatsen.  De eeuwenoude standerdmolen dreigde aldus voor Baexem verloren te gaan. 
Dat ging te ver: burgemeester Hannen bracht de gemeenteraad van Baexem op andere gedachten en vervolgens besloot men de molen van de weduwe Grubben aan te kopen en te laten restaureren. De plannen van Melick hadden hier duidelijk als katalysator gewerkt!

Aangezien de omgeving van de molen in verband met de aanwezigheid van een varkensmesterij inmiddels landschappelijk gezien te wensen overliet en ook het molenerf door de verkoop van grond en opstallen te klein was geworden, besloot men tot verplaatsing naar een plek bij de rijksweg Weert-Roermond. Het werk werd opgedragen aan de firma Adriaens te Weert. 

Technisch gezien kwam de verplaatsing de molen zeer ten goede. Verborgen gebreken kwamen aan het licht en konden worden hersteld. Uitwendig werd de molen grotendeels vernieuwd en ook keerde het wachthuisje op het bordes terug. Kap en paraplu werden weer met dakleer gedekt en de borst met horizontaal gepotdekselde planken. Twee gebruikte (en verlengde) roeden uit Nuenen (N.B.) werden gestoken. 
Met een groots opgezet Limburgs molenfeest, dat drie dagen duurde, werd de herboren standaardmolen op 7 oktober 1972 door de plaatsvervangend gouverneur van Limburg, drs. P.J.C. Lebens, in bedrijf gesteld. Kort daarna kwam het beheer in handen van Lambert Symkens, zoon van de vroegere molenaar te Oler. 

In 1972 stond de molen aldus prachtig in het open veld met alleen aan één zijde windbelemmering door de bomen langs de rijksweg Weert-Roermond. Inmiddels is het landelijke karakter (en daarmee de goede windvang van de molen) in de loop der jaren duidelijk verminderd.

Op 13 oktober 2005 werden beide Pannevis-roeden gestreken; na onderzoek bleken zij niet meer te repareren. Op 9 mei 2006 stak molenmakerij Adriaens nieuwe gelaste roeden. Eén van de Pannevis-roeden, in 2005 waarschijnlijk de laatste nog draaiende van dat fabrikaat, wordt sindsdien los bij de molen bewaard. 

In het late voorjaar van 2023 werd de gehele kast onderhanden genomen: de ruim 50 jaar oude beplanking heeft men vrijwel geheel vernieuwd. Bij deze werkzaamheden bleken ook de uiteinden van de steenbalk aangetast door de bonte knaagkever. Dit heeft men aangepakt door de slechte delen te verwijderen en daarna aan te vullen met glasfiberstaven en expoxy. Tussen de bedrijven door kon worden vastgesteld dat de molen oorspronkelijk één moerstijl heeft gehad, een constructie die later (veel beter) is gewijzigd in spoorstijlen aan weerszijden van de steenbalk. Het werk aan de steenbalk werd in juli 2023 opgeleverd; daarmee was de molen weer maalvaardig. 

foto's

foto's