Kasteelmolen / Slakmolen

Elsloo, Limburg
bestaande molen

media-bestand
Molen 06680 x Kasteelmolen / Slakmolen (Elsloo)
Marcel van Nies (4-3-2017)

korte karakteristiek

naam
Kasteelmolen / Slakmolen
modeltype
Watermolen
functie
korenmolen
bouwjaar
herbouwd
1713 / 1988
bedrijfsvaardigheid
Maalvaardig
bestemming
Het malen van graan, thans op vrijwillige basis
adres
Maasberg 1
6181 GV Elsloo
beek
Slakbeek
Toon op Google Maps met andere molens in de buurt  
Toon op Google Maps met andere molens in de buurt
Ten Bruggencate Nr
06680 x
inventarisnr
LB039

locatie

plaats
Elsloo
plaats aanduiding
beek
Slakbeek
gemeente
Stein, Limburg
kadastrale aanduiding
Gemeente Elsloo, sectie C, nr. 361
geo positie
X: 181.041, Y: 328.679
N: 50.94723, O: 5.75774
biotoop waarde
Groot
biotoop toelichting

contact en bezoek

bezoek/postadres
Maasberg 1
6181 GV Elsloo
molenaar
tijdelijk geen vaste molenaar
telefoon
website
social media
open voor publiek
ja
open op zaterdag
ja
open op zondag
nee
op afspraak
nee
openingstijden
toegangsprijzen
winkelinformatie
meelverkoop
nee
museum informatie
gericht op scholen
nee
AKG lid
nee
bijzonderheden
Ander email adres: slakmolen@home.nl

levensloop

toestand
werkend
bouwjaar
bedrijfsvaardigheid
Maalvaardig
bestemming
Het malen van graan, thans op vrijwillige basis
omwentelingen

constructie

modeltype
Watermolen
krachtbron
water
kenmerken
functie
inrichting

Eén koppel 16der blauwe en één koppel 16der kunststenen; sleepluiwerk

kenmerken watermolens

gangwerk
ijzer, spoorwielaandrijving
wateras
staal
rad
traditioneel
rad diameter
05,15 m.

eigendom

eigenaar
Stichting het Limburgs Landschap
eigendomsvorm
Stichting
eigendomshistorie

De stichting het Limburgs Landschap is eigenaar sinds 2014. Daarvoor was dat de gemeente Stein sinds 1988. 

geschiedenis

Elsloo kende in de 16e eeuw drie watermolens: de Materbergmolen, de Scharmolen en de Slakmolen. De Scharmolen was de oorspronkelijke banmolen van Elsloo en lag dichtbij het overspoelde kasteel in de Maas. De Materbergmolen lag in het huidige Hoge Bos op de Hemelbeek. Deze werd in de 16e eeuw door de kasteelheer van Elsloo aangekocht; hiervan is inmiddels geen spoor meer over.

De Heer van Elsloo voorzag blijkbaar al de ondergang van zijn twee molens. De Scharmolen dreigde toen al door de Maas verloren te gaan en de Materbergmolen raakte in verval. Het staat vast dat in 1553 hij opdracht geeft voor het bouwen van een geheel nieuwe molen, de nog bestaande Slakmolen. Dit doet hij aan het uiteinde van een zijdal van het Maasdal waardoor de Slakbeek stroomt. Aan deze beek is ook de naam ontleend. Naast de bouwplaats van de molen lag ook op de Slakbeek de brouwerij van Elsloo, het panhuys. Uit een pachtregister uit 1568 blijkt dat Conrard van Gavere het panhuys had opgekocht en opnieuw had laten bouwen. Het is heel goed mogelijk dat beide projecten, de bouw van een nieuwe molen en de herbouw van de brouwerij tegelijk zijn uitgevoerd.
De nieuwe economische tandem was vanaf het begin een succes want spoedig overvleugelde de Slakmolen de beide andere molens: uit het pachtregister van 1568 blijkt duidelijk het verschil in rendement van de drie molens. De pacht voor de Slakmolen bedroeg 246 vaten rogge, die van de Scharmolen 132 vaten rogge en van de Materbergmolen 84 vaten rogge (1 vat was ca 20 kg).

Nadat de twee oudste molens waren verdwenen restte alleen nog de Slakmolen als banmolen. De molenpacht en bieraccijns droegen in belangrijke mate bij aan de inkomsten van de Heer. Het spreekt voor zich dat beide gebouwen goed werden onderhouden. In 1713 wordt de molen van de grond af geheel vernieuwd. Ook in 1724 vinden er grote reparaties plaats. De brouwerij is dan al verplaatst naar de Maasberg.
Ten gevolge van het opschuiven van de Maas en de verwoestingen door de Spanjaarden, was het oude slot onbewoonbaar geworden. Bij de bouw en herbouw van de brouwerij heeft men waarschijnlijk al rekening gehouden met een verplaatsing van het kasteel. Graaf Nicolaas D’Arberg verhuisde in het begin van de 17e eeuw daadwerkelijk naar het nieuwe complex. Hij verbouwde de brouwerij tot een groot herenhuis. Verder worden de economiegebouwen uitgebreid. Enkele boerderijen worden hiervoor afgebroken en de watermolen wordt in de gebouwen opgenomen. De watermolen is hierdoor ook het oudste gedeelte van het kasteelcomplex.
Niet alleen de heer van Elsloo verhuisde maar ook de molenaar; woonden de molenaars eerst in een woning naast de molen, in de tweede helft van de 18e eeuw verhuizen ze naar het woonhuis van de kasteelboerderij (die zij overigens ook pachtten), het Huys de Fonteijn. Dit ligt onder aan de Maasberg naast het kasteel.
Van het nieuwe kasteel bestaat nog slechts een ronde gekanteelde toren met een rechthoekige aanbouw, die overgaat in lagere, langgerekte economiegebouwen. In deze gebouwen naast de torenaanbouw bevindt zich aan de achterzijde de watermolen. Daar is ook de toegangsdeur, waarboven een gevelsteen is ingemetseld met de inscriptie MDC 1854. De laatste twee letters zouden op de toenmalige eigenaar De Geloes kunnen wijzen.
Het oorspronkelijke kasteel sloot met een verlaagde vleugel aan op de bestaande torenaanbouw en stond haaks daarop in de richting van de Maas. In de vorige eeuw werd het kasteel tweemaal door brand vernield en daarna niet meer herbouwd. Daar ligt nu een park met eeuwenoude boomgroepen. Aan de achterzijde ligt links van de molen op de Maasberg een botanische tuin en rechts het erf van een boerderij. De molen, de boerderij en het erf waren toegankelijk vanaf de steile weg die vanuit het oude dorp naar de Maas loopt. Zij hadden dan ook dezelfde pachter.

Tussen de berg en het erf lag een molenvijver, die door de Slakbeek, die haar oorsprong op de berg heeft, van water werd voorzien. Via een goot met een maal- en een lossluis liep het water door een houten kanjel op een bovenslagrad. De achtergevel van de gebouwen springt naast de molen een stuk naar binnen. Op deze plaats stroomde het maalwater onder het gebouw door, waarna het zich in de Maas uitstortte. Vroeger werd met dit water tevens de kasteelgracht van vers water voorzien en op peil gehouden.
Tegen een zijgevel van de inspringende achtergevel hing een houten waterrad, dat in 1925 werd gesloopt. Dit rad had een middellijn van 5,15 m. en een breedte van 1,06 m. In zijn tijd was het een van de grootste bovenslagraderen van Zuid-Limburg. Bij de eerste peilvaststelling in 1854 had het bovenslagrad een middellijn van 5,14 m. en een breedte van 0,61 m.

Blijkbaar ontwikkelde het waterrad met deze afmetingen voor de latere maalstoel met drie koppels stenen en het ijzeren gangwerk een te gering vermogen, waarna de breedte op 1,06 m. moet zijn gebracht. De houten maalstoel, waarvan het middenstuk naar voren springt (T-vorm), neemt in het moleninterieur een grote plaats in. De poten van de stoel zijn voorzien van kromme schoren, waardoor fraaie spitsboogvormige openingen ontstaan. In de stoel staat een zwaar ijzeren gangwerk dat drie koppels stenen aandreef die om het spoorwiel zijn gegroepeerd. Op het vooruitspringende middendeel ligt een koppel kunststenen met tarwescherpsel; aan de rechterzijde ligt een koppel blauwe stenen en aan de linkerzijde een koppel stenen, waarvan de ligger uit twee dunne blauwe Duitse stenen bestaat, de loper is een kunststeen. Alle lopers hangen in beugelrijnen, wat een aanwijzing kan zijn dat de maalinrichting en het gangwerk van Belgische herkomst was.
De stalen koningspil met daarop het spoorwiel dat de rondsels op de steenspillen aandrijft is tot de vroegere verdieping verlengd. Onder de zolderbalken bevindt zich een haakse tandwieloverbrenging op een korte as met poelies, waarvan één poelie dienst deed voor de aandrijving van het luiwerk, uitgevoerd met een riem en spanroloverbrenging. Het luitouw liep via geleiderollen naar de voorzijde van de maalstoel. De overbrengingsverhouding van het gangwerk was 1:12, hetgeen voor een watermolen met een groot bovenslagrad tamelijk klein is.
De laatste molenaar was Frans Lenssen, die vanaf 1909 pachter van de boerderij en de molen was. Hij overleed in 1919, waarna zijn vrouw met een knecht zowel het landbouw- als het maalbedrijf voortzette. In 1924 werd de molen stilgelegd wegens concurrentie door een kort daarvoor in Elsloo gestichte motormaalderij. In de loop der jaren verviel het interieur tot een ruïne.

In de jaren 1984-1986 werden de kasteelgebouwen gerestaureerd en vervolgens als hotel, restaurant en conferentieplaats in gebruik genomen. Door de inzet van J.J.M. Ficq van de Molenstichting Limburg kwam ook de molenrestauratie tot stand. In 1988 werd begonnen met de restauratie van de watermolen en enige bijgebouwen die deel uitmaakten van de pachthoeve.
De restauratie van het gehele complex vond plaats onder architectuur van R. Bertels, architect uit Noorbeek, onder supervisie van W. de Wit van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. De restauratie van de watermolen en de bijgebouwen van het kasteel werd uitgevoerd door de Bouw- en Betonmaatschappij BOBEMA B.V. gevestigd te Heerlen, onderleiding van J.H.M. Sieben. De firma Adriaens uit Weert restaureerde de maalinrichting. Machinefabriek en IJzergieterij Konings te Swalmen leverde het rad met de kanjel en de sluizen. De molenvijver, die niet meer aanwezig was, werd opnieuw aangelegd, zodat de molen weer een functie kreeg.

Na 22 jaar trouwe dienst stopten Jaques Ritz en Jacques Ummels in mei 2022 hier als molenaar. Tijdelijk is hier geen vaste molenaar, wél wordt de molen nog gebruikt als opleidingsmolen.


advertentie afbeelding

foto's

foto's