Molen De Goudvink, Dordrecht

Dordrecht, Zuid-Holland
v

korte karakteristiek

naam
De Goudvink
modeltype
Paltrokmolen
functie
zaagmolen
bouwjaar
verdwenen
toestand
verdwenen
Toon op Google Maps met andere molens in de buurt  
Toon op Google Maps met andere molens in de buurt
Ten Bruggencate-nr.
03940 r
oude dbnr.
V2305
Meest recente aanpassing
| Conversie
media-bestand
Molen 03940 r De Goudvink (Dordrecht)
Uitsnede RAD_552_2001 (zie onder) 1872

locatie

plaats
Dordrecht
plaatsaanduiding
Lijnbaan
gemeente
Dordrecht, Zuid-Holland
streek
Eiland van Dordrecht
kadastrale aanduiding 1811-1832
Dordrecht C (1) 66 Willem van de Weg Az., kuiper, en Consort
geo positie
X: 106258, Y: 425559
N: 51.81652, O: 4.68031

constructie

modeltype
Paltrokmolen
krachtbron
wind
functie
plaats kruiwerk
onderkruier
kruiwerk
onderkruier
afbeelding van onze ondersteuners

geschiedenis

toestand
verdwenen
bouwjaar
verdwenen
verbrand
geschiedenis
Onderstaande informatie voornamelijk afkomstig uit 'Draaiende wieken, Stappende paarden
Molens op het Eiland van Dordrecht', C.P.J. Grol & J. Zondervan-Van Heck, jaarboek Historische Vereniging Oud-Dordrecht 2008. Deel van de genealogische informatie: Mw H.W.G. van Blokland-Visser, Papendrecht, januari 2016.

1671 Kapitein en houtkoper Johannes Heuts kreeg op 8 juli 1671 toestemming voor de bouw van een wind houtzaagmolen op zijn erf in de Lijnbaan. Er was wel een voorwaarde aan verbonden, namelijk dat hij het hout dat werd gebracht en gezaagd niet in de haven zou opslaan, maar aan de andere kant van de molen, de rivierkant. Jaarlijks moest hij aan de stad daarvoor ƒ 6 betalen.

1701 Heuts verkocht zijn paltrokzaagmolen aan Huibert van Erp, ‘kapitein van ’s lands legerponten ten dienste van het land’.

1704 Koopman Govert van Wessum werd de volgende eigenaar. Zijn erfgenamen verkochten de molen in 1713 aan Arnoldus Heynen en Dirk Cumsius. Dirk was ook (mede)eigenaar van De Danser, Tenbruggencatenummer 12051 en De Eendracht, Tenbruggencatenummer 12042.

1717 Heynen verkocht zijn molenhelft aan Cumsius, die de hele molen tot zijn overlijden in 1739 in eigendom had [DIRK CUMSIUS Jacobz (ca 1690 /1739 Ddr) tr 1713 Ddr Elisabeth v Besooyen Hendriks. In 1713/1739 eigenaar v/d Houtzaagmolen ,,De GOUDVINK,, a/d Lijnbaan. ELISABETH van BESOYEN Hendriks (1691 /1752 Ddr) wed v Dirk Cumsius Jacobz. In 1739 eigenares v/d Houtzaagmolen ,,De GOUDVINK ,, a/d Lijnbaan]. Zijn weduwe en boedelhoudster Elisabeth van Besoyen nam zijn taak over en werd de volgende eigenaar van de molen. Elisabeth wilde het in 1751 waarschijnlijk wat rustiger aan gaan doen en gaf haar zoon Jacob opdracht om de zaagmolen De Goudvink, waarbij deze molen in de transportakte voor het eerst met naam vermeld werd, te verkopen aan haar zoon Arnoldus, tegelijk met de naast gelegen oliemolen De Eendracht. De koopsom van beide molens, voor De Goudvink ƒ 5.000 en voor De Eendracht ƒ 10.000 bleef hij zijn moeder schuldig en hij sloot een lening bij haar af. Hij zou haar betalen met jaarlijkse termijnen van ƒ 2.000 met rente. Het zat de in dat jaar getrouwde Arnoldus echter niet mee. Hij moest drie jonge kinderen en later in 1758 zijn vrouw begraven. Mogelijk werd hij ziek en kon hij zijn financiële verplichtingen niet meer nakomen. Elisabeth van Besoyen gaf, als curatrice van Arnoldus, haar zoon Dirk opdracht om de molens te verkopen. Slechts twee maanden later werd Arnoldus begraven in de Grote Kerk.

1758 De Goudvink ging over in handen van Jacobus van der Koogh, die diverse huizen aan en in de omgeving van de Noordendijk had. Opmerkelijk is dat hij twaalf dagen na de aankoop van de molen een lening van ƒ 800 afsloot en daarbij naast de woninkjes en nog een huis en erf elders in de stad maar de helft van zijn pas gekochte molen als onderpand stelde. Mogelijk had hij intussen de andere helft van de molen onderhands verkocht aan zijn vader Willem Jacobsz. van der Koogh. Ook omdat vader Willem in 1762 zijn testament maakte en daarbij prelegateerde aan Jacobus de ‘helfte in een palsrokzaagmolen genaampt De Goutvinck, met de helfte in’t woonhuijs, twee houtlootsen en erff, mitsgaders gereetschappen daer aenbehoorende, staende ende gelegen buijten de Kleijne Sluijspoort deser stadt in de Lijnbaan. Waarvan de wederhelfte is toebehorende Jacobus van der Koogh, denzelve voor halff zaagloon is gebruijckende en moet met hem werden gereekent over den jaere 1762’. Jacobus diende hiervoor ƒ 825 in te brengen in de boedel van zijn vader. Vandaar dus bovengenoemde lening.

1763 In januari is vader Willem overleden en volgde een boedelbeschrijving van alle molens die Willem in eigendom heeft gehad. Daaruit bleek dat hij naast Jacobus ook aan andere zoons molens had geprelegateerd, zoals Het Varken, Tenbruggencatenummer 12089 en De Nachtegaal, Tenbruggencatenummer 01517.

1793 De zoon van Jacobus, Willem van der Koogh werd na zijn vaders overlijden in 1793 de volgende generatie, die de molen in eigendom had. Hij stelde deze molen tussen 1798 en 1801 verschillende keren als zekerheid bij een lening.

1804 verkocht deze Willem de molen aan houtkoper Arnoldus Monfoort. Diens vrouw Maria Blom, met wie hij in gemeenschap van goederen was getrouwd, benoemde in 1817 haar broer Cornelis Blom in haar testament als haar erfgenaam. Na haar overlijden in 1818 behoorde de helft van de molen hem toe.

1821 Ook Arnoldus Monfoort maakte drie jaar later een testament op. Hij prelegateerde daarbij aan zijn neef, de houtkoper Maarten de Vries, zijn halve ‘palsrokzaagmolen genaamd De Goudvink’, een koperen doofpot en een van zijn bureaus naar zijn keuze. Maarten de Vries kwam in 1821 in het bezit van de halve molen, doordat Cornelis Blom zijn helft aan hem verkocht. Hij erfde de andere molenhelft bij het overlijden van Monfoort in 1823.

1828 Willem van de Weg Arieszn. en zijn zoon Hendrik van de Weg kochten De Goudvink in de Lijnbaan E627 van Maarten de Vries.

1837 Hendrik van de Weg kreeg de gehele molen in eigendom. Hij overleed in 1862. Zijn drie kinderen Willem, Arie en Anna lieten een staat van inventaris opmaken en verdeelden de onroerende goederen. Willem werd aanbedeeld met de molen. Reeds in 1854 werkte Willem als molenaarsknecht bij zijn vader en zal van hem de benodigde vakkennis hebben geleerd. Arie en Anna verkregen een aantal huizen en erven en een geldbedrag. Willem overleed in 1871.

1872 Zie onderstaand krantenbericht. In de nacht van 29 op 30 november 1872 brak er door onbekende oorzaak, mogelijk blikseminslag, brand uit in de kap van de molen. De weduwe van Willem van de Weg, Johanna Ross en haar kinderen Aaltje en Hendrik Andries waren toen de eigenaren. De molen brandde tot op het stenen voetstuk af. In 1873 was alleen Hendrik Andries van de Weg nog de eigenaar van het terrein en de opstallen. De molen werd niet meer herbouwd.

aanvullingen

trivia
De tekening is van Joseph Hoffnung en is waarschijnlijk gemaakt rond 1833.

De molens zijn van links naar rechts:
De Hoop, De Eendracht, De Kijck over den Dijck, Het Fortuin, De Goudvink, De Haas en De Reus Goliath.