Molen op 'de Hoef', Sint-Oedenrode

Sint-Oedenrode, Noord-Brabant
v

korte karakteristiek

naam
Molen op 'de Hoef'
modeltype
Kantige molen, grondzeiler
functie
korenmolen
bouwjaar
verdwenen
toestand
verdwenen
Toon op Google Maps met andere molens in de buurt  
Toon op Google Maps met andere molens in de buurt
Ten Bruggencate-nr.
01559 a
oude dbnr.
V12353
Meest recente aanpassing
media-bestand
Molen 01559 a Molen op 'de Hoef' (Sint-Oedenrode)
uitsnede

locatie

plaats
Sint-Oedenrode
plaatsaanduiding
De Hoefstraat v/h dorp w.z., nabij de Dommel o.z. en voetbrug n. Rijzingen
gemeente
Meierijstad, Noord-Brabant
streek
Meierij van 's-Hertogenbosch
kadastrale aanduiding 1811-1832
Sint Oedenrode G (1) 659 Arnold Pieter Maria de Korte
geo positie
X: 159735, Y: 397218
N: 51.56389, O: 5.45549

constructie

modeltype
Kantige molen, grondzeiler
krachtbron
wind
functie
romp
achtkante bovenkruier
inrichting
2 koppels stenen
plaats bediening
grondzeiler
bediening kruiwerk
buitenkruier
plaats kruiwerk
bovenkruier
afbeelding van onze ondersteuners

geschiedenis

toestand
verdwenen
bouwjaar
verdwenen
geschiedenis
Houten standerdmolen, al heel lang weg.
Bron: archief Ten Bruggencate, 1925.
NB Op de kadasterkaart staat de molen ingetekend met een achtkant grondplan

-----

De windmolen op de hoef.

De geschiedenis van de windmolen die ooit op de Hoef stond is sterk verweven met die van de Borchmolen enkele honderden meters verderop omdat ze dezelfde eigenaar hadden.

De Borchmolen (dbnr 4337), eigendom van Nicolaas Kock was een watermolen op de Dommel.
Deze watermolen diende als olieslagmolen, volmolen en korenmolen.

De wind-graanmolen op de Hoef werd in +/- 1813 nieuw gebouwd door de erven van Nicolaas Kock, waaronder zijn zoon, Arnoldus.
Nicolaas kwam in 1793 naar Sint-Oedenrode uit Tilburg. Hij leerde het vak van molenaar o.a. in Lommel waar hij in 1769 als molenaar wordt genoemd. Als Nicolaas in 1806 overlijdt zetten Arnoldus en zijn moeder (en andere familieleden) het bedrijf voort.

Zoals ook elders vaak het geval is bezorgt de watermolen overlast als de molenaar het water te hoog laat oplopen met schade aan hooi- en weilanden en ondergelopen kelders. Mogelijk waren de problemen met de watermolen aanleiding om ook een windmolen te willen hebben. Arnoldus koopt daarvoor op 24 oktober 1812 een perceel grond op de Hoef en start de bouw.
Hierbij speel overigens ook de kwestie van “het recht op de wind”. Na de Franse revolutie, als de “heerlijke rechten” zijn afgeschaft, geeft de bouw van nieuwe windmolens veel minder problemen.

De molen die rond 1813 op de Hoef werd gebouwd was een houten achtkant, bovenkruier, grondzeiler, en kon met twee koppels stenen werken.
Houten achtkant molens zijn typisch voor het Noord-Westen van Nederland waar ze veel voor polderbemaling dienden. Met de opkomst van de stoomgemalen waren ze daar niet meer nodig en werden ze gesloopt. Vaak kregen ze dan elders in het land een tweede leven. Deze ontwikkeling kwam echter pas na ongeveer 1850 echt op gang dus of de molen op de Hoef misschien een heel vroeg tweede handsje was blijft een vraag. Hoewel, Brock, de lokale geschiedschrijver, spreekt wel een nieuw gebouwde molen. Hij maakte er trouwens een mooie schets/aquarel van, zie afb.1.

Rond 1830 werd de huurwaarde geschat op 300 gulden per jaar. Ter vergelijking, de huurwaarde van de Borchmolen, werd geschat op 900 gulden.

In 1834 overlijdt Arnoldus en volgt verkoping van de molen aan schoonzuster Maria Kock de weduwe van Jan Janse Kemps.
Maria Kock overlijdt in 1844 en een jaar later haar broer Petrus de mede eigenaar.
De nalatenschap blijft onverdeeld tot 1858 want dan moet de procureur van het gerechtshof er aan te pas komen om hieraan een eind te maken.
Als het proces achter de rug is nemen Johannes Cornelis Kemps en zijn broer Nicolaas een hypotheek op de molen waarvan akte op 21 mei 1858.

Rond 1840 schildert Krüseman de molen. Krüseman is een niet onverdienstelijk schilder en het schilderij toont vele details. De omgeving en de achtergrond lijken waarheidsgetrouw, alleen de afbeelding van de molen roept vragen op. De molen is afgebeeld als houten achtkant gedekt met leien, dat klopt, maar de lengte van de wieken lijkt te kort om als grondzeiler bedient te kunnen worden. Verder toont het gevlucht uitstekende heklatten aan de kant waar normaal de voorzoom zit met daardoor opgeklampte zeilen. Dan lijkt de schets van Brock realistischer. De bomen op het schilderij roepen vragen op over de toenmalige biotoop.
Afb. 2: Foto van een aquarel gemaakt door Krüseman met tekst in inkt; 1830. ST Oedenrode van het westen te zien. Jan Adam Kruseman, 1804, Haarlem
1862, Haarlem. Uit het boek “De knoptoren, icoon van Sint-Oedenrode in kunst en cultuur”.

Op 15 nov 1865 wordt een onderhandse scheidingsakte opgemaakt en wordt Johannes Cornelis Kemps eigenaar. Hij vindt dat de ligging op de Hoef toch minder goed gekozen was. De Hoge Vonder brug is te smal voor paard en kar zodat mogelijke klanten een grote omweg moeten maken. Bovendien kreeg hij er in 1856 een concurrent bij door de bouw van een molen aan de Boskantseweg (zie dbnr 582).

Omstreeks 1867 koopt J.C. Kemps dan ook een stuk bouwland aan het Hoogeind om daar een stenen windmolen voor het malen van graan en schors te bouwen.
Op 20 september 1867 wordt de Hinderwetvergunning afgegeven.

De molen op de Hoef wordt afgebroken en het houten geraamte wordt overgebracht naar het Hoogeind waar het met een stenen omhulsel als bergmolen een nieuw, tweede mogelijk zelf derde, leven tegemoet gaat.

Informatie van: A.T. Vermeltfoort, Molenaar De Pegstukken, Schijndel,14-1-2019

Bron: HeemSchild 1996/2 uitgave Heemkundekring de Oude Vrijheid, Sint-Oedenrode.