bouwjaar
bestemming

Het malen van graan, thans op vrijwillige basis

molenmaker
Antonius van Himbergen, Eindhoven (1884) Fa. Adriaens, Weert (1971/73)
omwentelingen
eigendomshistorie

Sinds 1995 is Hennie Merks eigenaar, eerder was dat vanaf 1970 de gemeente Nuenen. 
Hennie Merks overleed evenwel op 3 mei 2026. 

molenaars
geschiedenis

Deze molen is in 1884 in opdracht van Marcellus van den Eijnden uit Dommelen gebouwd door Antonius van Himbergen uit Woensel (Eindhoven).
Het werd een andere molen dan voorzien: Van den Eijnden had in juli 1883 een stuk grond gekocht om daar een stenen stellingmolen te laten bouwen. Nadat in augustus 1883 met het werk was begonnen, voltrok zich op 17 oktober een ramp: de op dat moment ruim vijftien meter hoge romp stortte in. Hierbij kwam de 18 jaar oude metselaar Martinus Swinkels om het leven, enkele anderen raakten ernstig gewond. De oorzaak zocht men in het gebruik van ondeugdelijk materiaal. 

Vervolgens viel het besluit, een iets andere, lagere, molen te bouwen: dat werd de ronde stenen beltmolen die er nog altijd staat. Het ruimen van het puin en de bouw van de nieuwe molen moeten zich snel hebben voltrokken, want op 13 augustus 1884 was deze molen maalvaardig.

Zoals vrijwel steeds maakte Van Himbergen bij de bouw gebruik van slooponderdelen van elders en van deze molen is later ontdekt waar de voornaamste onderdelen vandaan zijn gekomen: bovenas, roeden, bovenwiel en -bonkelaar zijn, met het overgrote deel van de kapconstructie, afkomstig van de in 1883 gesloopte molen van de polder Oud-Schuddebeurs te Simonshaven (ZH). 
Nu was die molen te Simonshaven aanzienlijk kleiner dan 'Nuenen' is geworden en dat is nog altijd te zien: de molen heeft een zeer slanke romp met bovenop een tamelijk kleine en lage kap. De roeden, fabricaat Pannevis en in Simonshaven 22,80 meter lang, werden in Nuenen hergebruikt maar voorzien van houten verlengstukken van 1,80 meter. Aldus kwam de vlucht op maar liefst 26,40 meter uit. 
Zo heeft deze molen in Nuenen tot in de 20ste eeuw gefunctioneerd. 

In 1887 verleende de gemeente vergunning om de molen geschikt te maken voor het olieslaan. Van den Eijnden kocht daartoe bij zijn Heezer collega Van Asten twee slagheien met toebehoren en een tweetal kantstenen uit diens oliemolen aan de Leenderweg (St. Victor). Het oliewerk bevond zich op de begane grond van de molen en was tot 1930 in gebruik, waarna het werd verwijderd.

Inmiddels was in 1898 Hendricus Merks, afkomstig uit Boxtel, eigenaar geworden. Later ging de molen over naar diens zoon Arnoldus Martinus 'Noud' Merks.
Na 1945 verhuisde het Engels kruiwerk van de door oorlogsgeweld onherstelbaar beschadigde molen op het Hoogeind te St. Oedenrode naar Nuenen.

In 1959 kwam de molen buiten bedrijf, waarna zwaar verval intrad. 

Om de molen te kunnen behouden, kocht de gemeente Nuenen hem in 1970 aan. Eind 1971 werd de (kort daarvoor ingestorte) inrijpoort hersteld; daarna kwam de molen zelf aan de beurt. 
Op 25 augustus 1973 werd de molen feestelijk in gebruik genomen. In de daarop volgende jaren liet oud-eigenaar Noud Merks De Roosdonck, zoals de molen na de restauratie genoemd werd, regelmatig draaien. 

In de jaren daarna werd Merks' taak meer en meer overgenomen door vrijwillige molenaars en van lieverlee werd er niet alleen gedraaid, maar ook gemalen. Belangrijk was hierbij Piet Berkers: met zijn grote technische kennis heeft hij veel voor deze molen (en ook andere molens) kunnen betekenen. Helaas overleed hij - veel te vroeg - in 2003. 

In 1995 werden staart, dakbedekking en het houtwerk van het gevlucht vervangen. Tevens kreeg de kap, als eerste in de omgeving, een dakgoot. Dit om de problemen van vochtdoorslag op de stenen romp tegen te gaan. 

Wat het eigenaarschap betreft had zich intussen iets opmerkelijks afgespeeld: de molen was weer in particuliere handen overgegaan. Henny Merks, zoon van Noud, werd de nieuwe eigenaar en min of meer tegelijk werd de Stichting "Vrienden van De Roosdonck" opgericht om de nodige gelden bijeen te brengen voor het onderhoud van de molen.

In het voorjaar van 2004 besloot men de molen in de sobere kleurstelling die lang geleden was toegepast te schilderen. De zeer brede witte banden op de romp, op zich heel kenmerkend voor deze molen, waren al in 1995 weggelaten omdat ze steeds erg snel verweerden en het schilderen niet bij te houden was.
Een elektrisch aangedreven koppel stenen dat in de onderbouw was geplaatst, werd later verkocht aan de korenmolen van Woudrichem.

In het late najaar van 2019 werd de bijna 25 jaar oude staart opnieuw vervangen en wel op aparte wijze: voor de staartbalk en lange spruit gebruikte men de oude (gelaste) roeden van De Zandweg te Rotterdam. Het hergebruiken van oude roeden voor andere onderdelen kwam vooral in Brabant in vroeger tijd zeer veel voor en men heeft deze traditie hier nieuw leven ingeblazen.

Pannevis-roeden
Zoals al vermeld was deze molen vanouds uitgerust met de nog uit Simonshaven afkomstige, veel te korte, Pannevis-roeden. In Nuenen waren zij sinds de bouw in 1884 met houten stukken verlengd. 
Deze constructie was, toen in 1972 met de grote restauratie werd begonnen, nog altijd aanwezig. Evenwel koos men toen voor nieuwe gelaste roeden en die moesten een lengte krijgen van 26,00 meter. Het geheel bleek een flink stuk zwaarder dan de vroegere constructie: bij proefdraaien dompte het gevlucht en sloeg tegen de romp. Daarna heeft men de bovenas aan de achterzijde met ijzeren platen verzwaard.
Die Pannevis-roeden had men intussen verkocht aan de toenmalige eigenaar van de molen aan de Boschdijk te Acht (Eindhoven). Deze liet ze daar echter niet steken, maar verkocht ze door naar Baexem (Lb.). Daar dienden zij, inmiddels met ijzeren bussen tot 25,30 meter verlengd, tot 2005 standerdmolen "Aurora".
Eén complete roede wordt vanaf 2005 bij de molen in Baexem bewaard, een stuk van ca. 4 meter lengte van de andere roede keerde terug naar Nuenen en is daar in gebruik genomen als decoratieve lichtbalk.

Intussen moet worden geconstateerd dat de in 1973 gestoken Derckx-roeden de 50 jaar gehaald hebben en, omdat zij nog in 2022 zijn gestreken en nagekeken, is aan te nemen dat zij nog een tijd mee zullen gaan.