- bouwjaar
- verdwenen
- eigendomshistorie
In 1845 is de locatie van deze drie molens is bekend als Oostvliet 14, 15 en 16, maar het is niet bekend welke molen correspondeert met de boven-, midden-, of ondermolen.
Oostvliet 14:
Vanaf 1820 werkte Nicolaas de Hoog (Zoetermeer 1796-Stompwijk 1867) op deze molen. Na zijn overlijden werd het werk overgenomen door zijn zoon Johannes de Hoog (Stompwijk 1843-Voorburg 1907) tot 1874.
Oostvliet 15:
Vanaf 1840 werkte Cornelis van der Zalm (Loosduinen 1814-Wateringen 1897) op deze molen tot omstreeks 1880. Zijn zoon Arend van der Zalm (Stompwijk 1841- Wateringen 1933) werkte op deze molen tussen 1865 en 1881.
Oostvliet 16:
Van 1825 tot 1884 werkte Hendrik van Wensveen (Wilsveen 1804-Schiedam 1896) op deze molen. Vanaf 1860 was hij tevens veehouder.
- geschiedenis
-
De Damhouderpolder (ofwel Duyvenvoordse- of Nieuwe polder) en de polder Starrevaart moeten tussen 1610 en 1628 zijn ontstaan. Beide polders hadden een wipmolen op enige afstand van de Vliet. Die van de Duyvenvoordse polder stond ongeveer tegenover het kasteel Duivenvoorde, die van Starrevaart stond ter hoogte van huize Rozenrust. Voor Starrevaart werd in 1632 een reglement goedgekeurd.
Na het tot plas uitvenen van Starrevaart werd deze vanaf 3 februari 1736 (octrooi) drooggemaakt en -gehouden door een nieuwe driegang schepradmolens, uitslaand op de Vliet. De Dampolder (deel Laag-Damhouder) werd in 1758 eveneens droog gemaakt en aangesloten op de buur-driegang. In 1797 werd ook het deel Hoog-Damhouder drooggelegd en in 1839 kwam door het slechten van de tussendijk de combinatie Gecombineerde Starrevaart- en Damhouderpolder tot stand. Na de combinatie werden beide wipmolens overbodig en verdwenen na 1750.In 1882 werd de driegang vervangen door een stoomgemaal aan de Stompwijkse Wetering.
- bronnen
-
Bronnen:
- "Over, door en om de Leytsche dam", 1988.
- "Verdwenen molens in Zuid-Holland", A.J. Marrenga-Stapff. Inform. H. van der Kaay.