bouwjaar
verdwenen
molenaars
geschiedenis

Imert Mathijszoon van Stralen woonde in het huis “De Swaen” in Hellevoetsluis aan de westzijde van de haven. In 1647 besloot hij een rosmolen te bouwen.

De benodige stenen kocht hij in Oud-Beijerland:

“IJemert Mathijsz. van Stralen, timmerman, wonend op de Hellevoetse Sluijs, 

verklaart voor notaris Cristiaen van Vliet schuldig te zijn aan Sr. Hendrick van Ravenswaeij cum sociis, steenbacker alhier, de somme van 118 gld., 5 st. in verband met de koop van stenen voor zijn rosmolen op de Hellevoetse sluijs” (Oud Notarieel Archief Oud Beijerland).

Hij leent hiervoor 500 carolus guldens van Jan Panser Heindricxsz, met als onderpand zijn huis “De Swaen” en een huis aan de oostzijde van de haven.

 

Na de bouw van de rosmolen leent hij 200 carolus guldens van Jannetgen Pieters de Jonck met als onderpand zijn roskorenmolen op de Weergorse Westsandijck, zijn huis “de Swaen” en het huis aan de oostzijde van de haven. Zijn schoonzoon Jan Gerretsz Schipper staat borg.  Hij betaalt deze schuld af in September 1647.

Hij heeft nog een schuld van 250 carolus gulden van Hubrecht Jansz van Aert, wonende te Oud-Beijerland, wegens leverantie van hout en arbeidsloon voor de opbouw van zijn huis en erf op de Weergorse Westsandijck naast de rosmolen, die hij aflost in september 1648.

Na het overlijden van Imert, verkoopt zijn weduwe Maertge Jans en de erfgenamen de korenmolen en het naastgelegen nieuw getimmerde huis op de Weergorse Westsandijck voor 2800 carolus guldens aan Dirck Jacopsz Goutswaert, wonende onder Nieuwenhoorn. Hij betaalt 1000 gulden contant en lost de schud af met 200 guldens per jaar.

Zijn broer Joost Jacopsz, molenaar in Oud-Beierland, en zijn vader Jacop Barentsz Goutswaert staan borg.

Jacop Jansz Schuylenburgh, schepen, staat garant voor de 250 gulden, die Hubrecht van Aert toekomt van de weduwe en erfgenamen van Imert Mathijsen van Stralen, staande op het huis naast de rosmolen.

Dirck Jacobsz Goutswaert, molenaar van Nieuwenhoorn, verkoopt de rosmolen met het huis er naast en de erfpacht van de grond, waarop dit is gebouwd, op de dijk voor 1300 carolus guldens aan Maerten Jansz Santvoort, wonende op Hellevoetsluis.

Ten oosten van de rosmolen is de Culck (=kolk; de ruimte tussen de sluisdeuren), ten westen is de weide van Cornelis Bouwensz en ten noorden en zuiden ligt de dijk.

Maerten zal in mei 1650 300 gulden betalen plus een rozenobel (gouden munt) voor de vrouw van Goutswaert en de rest aflossen met 200 gulden per jaar met de rosmolen als onderpand.

Rond 1665 werd Hellevoetsluis voor het eerst gefortificeerd en in 1698 werd een nieuw vestingstelsel gebouwd. Vestingen hadden vaak een rosmolen (zie bijv. Bourtange in Groningen; Ten Bruggencate nr 11725), zodat er altijd gemaald kon worden.

Het lot van deze rosmolen is onbekend (afgebroken, verplaatst, vervangen?).

Toen de Noordmolen (Het Vliegend Hert) van Brielle afbrandde in 1810 werd voor de bevolking van Brielle gemalen in de rosmolen van Hellevoetsluis, totdat de molen herbouwd was in 1811.

 

Informatie en onderzoek door Anton Bom, 04-04-2026

 

bronnen

Onderzoek door Anton Bom, 04-04-2026