Molen De Otter, vroeger waarschijnlijk genaamd De Kleine Otter, is een in of kort na 1631 gebouwde paltrokhoutzaagmolen. Oorspronkelijk maakte deze molen deel uit van een groep van 12 houtzaagmolens, 11 paltrokken en 1 bovenkruier, die tussen 1630 en 1638 werden gebouwd op een tussen de Kostverlorenvaart en de westelijke stadsgracht gelegen terrein.
In 1638 wordt als eerste eigenaar Barend Willemsz. Prins genoemd. Andere namen van eigenaren in de 17de en 18de eeuw waren: Gelepey, Buys, Napels en Sodenkamp. In 1817 werd de molen gekocht door Gerrit van der Beyl, waarmee de basis werd gelegd voor de latere firma Gt. van der Bijl. Het molenbezit van deze firma werd hierna uitgebreid met de aankoop van de naburige paltrok Het Luipaard in 1829, De Valk in 1835 en De Kool in 1860. In het begin van de jaren zestig begon de economische neergang van de Amsterdamse houtzagerijen, maar de firma Gt. van der Bijl was hiervoor minder gevoelig, omdat zij zich tevens met de houthandel bezighield. Haar molenbezit ging teniet als gevolg van stadsuitbreiding. Het hele terrein van de firma viel namelijk binnen Blok III van het in 1877 vastgestelde uitbreidingsplan van de stad.
Vermoedelijk verdween in of kort na 1892 als eerste De Kool, want in mei van dat jaar werd hij aan de gemeente verkocht. Het Luipaard en De Otter zijn waarschijnlijk tot in het begin van de 20e eeuw in bedrijf gebleven. Een foto van laatstgenoemde uit 1917 doet vermoeden dat hij toen al enige tijd buiten bedrijf was. In november 1925 is De Otter, nadat de houten as was gescheurd, onttakeld maar sindsdien blijven staan. De eveneens onttakelde en sterk vervallen romp van Het Luipaard werd met bijbehorende molenwerf in 1931 verkocht en is kort daarna afgebroken. De ten noorden van De Otter gelegen molen De Eenhoorn was als laatste Amsterdamse windhoutzaagmolen in 1929 nog in gebruik, maar is in of voor 1931 eveneens afgebroken.
In 1977 werd De Otter op de monumentenlijst geplaatst en in 1994 startte een ingrijpende restauratie die in 1996 werd afgerond.
Constructie
De romp van de molen is samengesteld uit eiken- en grenenhout, waarbij ook gebruik is gemaakt van eiken krommers. Zo te zien zijn onder andere de kruisen in de wandconstructie al eens voor een deel vernieuwd, ongetwijfeld om de molen meer stijfheid te geven. Het totaalbeeld dat de molen biedt rechtvaardigt het vermoeden dat hij ook inderdaad van omstreeks 1631 dateert.
Zeer opmerkelijk is ook de borstnaald: die is gemaakt van een oude houten roede, die nog bedoeld was voor een dwarsgetuigd wiekenkruis!
De Otter is een vrij kleine molen die evenals verscheidene andere Amsterdamse molens een links geplaatste kraan had. Dit betekent dat men, staande voor de molen, de kraan waarmee de stammen uit het water op de zaagvloer werden gehesen op het linker uiteinde van de zaagvloer zag staan. Bij de meeste paltrokken stond de kraan aan de rechterkant wat doet vermoeden dat De Otter een oude paltrok is. Na de onttakeling van 1925 bleef het verdere gaandewerk van de molen intact.
Opvallend is, dat de krukas hier aangedreven wordt door een schijfloop in plaats van een varken met kammen. Het bovenwiel wijkt daardoor ook af: het bestaat uit een apart vangwiel en een direct hierachter geplaatst 'sterwiel'.
Er zijn drie zaagramen aanwezig, waarvan de achterste echter voornamelijk als pompraam lijkt te hebben gewerkt.