|
|
| Romp | Kast overwegend donkergroen geverfd; wit afgebiesd; onderbouw gedekt met schaliën (oorspronkelijk dakleer). | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Kap | Gedekt met dakleer | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Vlucht | 24,23 / 24,36 m. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Wiekenvorm | Oud-Hollands | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Wiekverbeteringen | Van 1939 tot 1966 was deze molen uitgerust met het systeem-Van Bussel. Bij de verplaatsing en restauratie van 1966/67 werd gekozen voor Oud-Hollands. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Wiekenkruis |
Bovenas |
Geschiedenis
De molen werd oorspronkelijk in 1684 gebouwd te Schaarbeek (bij Brussel); in 1783 wegens toenemende windbelemmering door een boomgaard verplaatst naar Schaarbeek-Helmet en in 1885 naar Merksem.
In 1897 was de aannemer van de bouw van molen en woonhuis Adrianus van Ginneken, metselaar te Roosendaal; molenmaker was Jan van Blerck, molenmaker te Leur. De bouwheer was Petrus Schrauwen, die tijdens de bouw in januari 1897 overleed aan de ziekte van fijt. Hij was daarvoor eigenaar van de standerdmolen van Rijsbergen, eveneens een Belgische standerdmolen, die hij daar in 1881 bouwde. Zoon Victor moest de bouwactiviteiten verder afronden. De molen werd opgericht als koren- en schorsmolen. Veel molens in West-Brabant hadden een apart koppel voor schorsmalen; bij deze molen is het vermoedelijk al aan het begin van de 20ste eeuw beëindigd, waarna het koppel is uitgebroken. Na in 1939, onder advies van Chris van Bussel (die ook het naar hem vernoemde wieksysteem liet aanbrengen) nog uitvoerig te zijn hersteld, raakte de molen tijdens de Tweede Wereldoorlog behoorlijk beschadigd. Door tussenkomst van de Vereniging De Hollandsche Molen vond in 1950 herstel plaats, door molenmaker De Groote uit Kloetinge. Helaas werd er sindsdien nog maar weinig gemalen. In de loop der jaren breidde Roosendaal zich stormachtig uit en kwam de grond rondom de molen in handen van de Bataafsche Petroleum Maatschappij. Deze onderneming maakte het gebaar om de molen voor een symbolisch bedrag aan de gemeente over te doen en de verplaatsing naar het zuidelijk deel van de stad te subsidiëren. Deze verplaatsing en opknapbeurt werd in 1966/67 uitgevoerd door molenmaker Coppes uit Bergharen. Helaas is de molen vrij snel daarna alweer door bebouwing ingehaald. De zeer zware storm van 25 januari 1990 veroorzaakte grote schade: de gietijzeren askop scheurde en een roede brak. In 1993/94 werd de molen geheel hersteld. Inmiddels heeft de molenaar ook de achtermolen geheel bedrijfsvaardig gemaakt. Het werk omvatte onder andere het opnieuw op steek zetten van het bovenwiel en het maken van een nieuwe kuip. De molen was lang geleden voorzien van een derde koppel stenen, dat via een eigen bovenwiel werd aangedreven. In de houten as zijn de kepen voor dit wiel, dat als spaakwiel was uitgevoerd, nog te zien. Ook aan de plooistukken van het huidige bovenwiel is dit nog te zien. Niet uniek maar wel apart: de teerlingen zijn elk voorzien van slechts twee zonneblokken in plaats van de gebruikelijke drie of vier. Bij het herstel van 1939 werd de molen lichtgrijs geverfd: Dit was Chris van Bussels stijl: men moest immers kunnen zien dat er met de molen iets gebeurd was! Bij de laatste restauratie van 1993/94 werd de vroegere donkergroene tint in ere hersteld. Aanvullingen
Uniek aan deze molen:
Mogelijk de enige nog bestaande molen in Nederland die vier keer is verplaatst en dus op zijn vijfde locatie staat. Literatuurverwijzingen:
N. van Eekelen, T. Meesters: Standerdmolen "De Hoop" te Roosendaal in historisch en technisch perspectief bekeken. Uitgave Vereniging 'De Westbrabantse Molens'. Roosendaal 2000
©
Foto: Rob Simons (9-7-2006).
©
Foto: Ton Koorevaar (9-6-2011).
©
Foto: Ton Koorevaar (9-6-2011).
©
Foto: Ton Koorevaar (9-6-2011).
©
Foto's: Rob Simons (9-7-2006).
Draag zelf bij
|