Nederlandse Molendatabase  
Heerlen, Limburg
Database nr. 421
Inventaris nr. LB050
Naam Oliemolen
Bouwjaar 1502
Type Bovenslag watermolen
Functie Korenmolen
Ligging Oliemolenstraat 32
6416 CB Heerlen
Rijksdriehoek X: 197202 Y: 321763
toon op kaartje
toon in Google Streetview
Beek Caumerbeek;
Gemeente Heerlen
Kadaster Gemeente Heerlen, sectie G, nr. 102
Monumentennummer 21230
Landsch. waarde Groot
Eigenaar De heer en mevrouw Reesink
Bedrijfsvaardigheid Maalvaardig
Bestemming Het malen van graan, thans op vrijwillige basis
Bezoekmogelijkheid Niet bekend

Foto: W. Jans (08-09-2001)   
Constructie
Rad 04,74 m.
Inrichting Twee koppel 16der kunststenen; sleepluiwerk; 1 koppel kantstenen (restant vm. oliewerk)
Overbrengingen Aswiel 96 tanden
Bonkelaar 38 tanden
Spoorwiel 156 tanden
Steenschijven 40 tanden
Overbrengingsverhouding 1 : 9,85
Verwijzingen
Ten-Bruggencatenr. 01124
allemolens.nl zoek op Ten-Bruggencatenummer in allemolens.nl naar aanvullende informatie
Geschiedenis
Officieel droeg deze molen de naam van Creuwels- of Creulsmolen. In 1952 bestond hij 450 jaar.

De geschiedenis van de molen is de geschiedenis van de familie Wetzels. Op 10 juni 1769 lieten de Gebr. Joannes en Peter Caspar Wetzels de koop van de oliemolen registreren.
In de Franse Tijd was Peter Caspar Wetzels eigenaar. Hij stierf jong en vele jaren heeft zijn weduwe het bedrijf beheerd. Ze trouwde voor de tweede maal met Johan Hubertus Reneirkens, die in 1820 overleed.
In 1828 richtte zij een verzoek tot het provinciaal bestuur om de oliemolen tevens als graanmolen in te richten. De vergunning daarvoor werd in 1829 afgegeven. De molen werd ook als looi- of schorsmolen ingericht. Hij had drie koppel stenen, twee voor de korenmolen en één voor het malen van eikeschors. Cecilia Retra overleed in 1840, waarna haar zoon Mathijs, landbouwer in Heerlen, het bedrijf overnam. Mathijs Wetzels overleed in 1867. Zijn opvolgers waren Jan Caspar Wetzels en vervolgens de Gebr. August en Hubert Wetzels.

In 1882 vragen deze vergunning om een nieuw waterrad te hangen, en de breedte daarvan op 0.90 m. te brengen. Het oude rad was 0.75 m. breed en had een middellijn van 4.95 m. Door de bredere uitvoering kon het rad een groter vermogen en koppel ontwikkelen, maar verbruikte meer water. In die tijd werd reeds gesproken van een onvoldoende wateraanvoer door de Caumerbeek.

In 1905 werd het houten gangwerk van de graanmolen vervangen door een ijzeren en de houten maalstoel door een maalstoel bestaande uit gietijzeren kolommen. Evenals de oude werd ook de nieuwe maalstoel met het gangwerk op de begane grond geplaatst. De molen had drie koppels maalstenen. Twee lagen aan de zijde van de gevel, het derde aan de voorzijde. In die tijd werd er veel tarwe gemalen, waarvoor twee koppels Franse stenen werden gebruikt. Met een buil werd de bloem uit het meel gezeefd. Met het uitbreken van de houten maalinrichting werd ook de oliemolen gesloopt.

In het begin van de 20e eeuw zag het molencomplex er anders uit dan in de jaren dertig. De molen is gebouwd van mergel- en baksteen en heeft één verdieping -de steenzolder- van waaruit de hoog gelegen vijver en de kanjel van het bovenslagrad bereikbaar zijn. Boven de steenzolder lag een bergzolder onder het hoge pannen-zadeldak. Naast de molen stond oorspronkelijk het molenaarshuis. Aan de voorzijde stonden de schuren en stallen van het boerenbedrijf.

Het maalwater werd geleverd door een grote vergaarvijver. Aan de bovenzijde daarvan kwam uit de linkeroever een afslagbeek, die het overtollige water afvoerde. Aan de benedenzijde stond een sluis, waardoor het water op de kanjel kwam. Daarin bevond zich een bodemklep die het water voor het rad kon afvoeren. De kiep fungeerde tevens als maalklep. Zodra deze de opening afsloot, stroomde het water op het rad.

In 1929 brandde de schuur af. Deze werd niet meer vervangen en in plaats daarvan werd aan de voorzijde een woonhuis gebouwd dat op een bestaande schuur of een oorspronkelijk deel daarvan aansloot en waarin een grote poort werd opgenomen, die toegang tot de binnenplaats geeft. Voordien waren in de schuur twee kleinere poorten.

Het waterrad, dat zich op de binnenplaats bevindt, is steeds grotendeels van hout geweest. De schoepen zijn van ijzer en in kepen van de velgen geklemd. Daarvoor zijn de twee velgen door trekstangen met elkaar verbonden. Ook de molenas is steeds van hout geweest. De ijzeren tappen draaien in eenvoudige open lagers.
Problemen waren er ook: de wateraanvoer door de Caumerbeek liet echter steeds meer te wensen over. Langdurig malen was niet mogelijk, zeker niet als ook de Caumermolen nog water aan de beek onttrok.

In 1929 trok eigenaar Wetzels zich uit het bedrijf terug en verpachtte de molen aan P. Roex, die eerder de Caumermolen pachtte. Het volgende jaar werd door het Heerlense timmer- en molenmakersbedrijf Erkens op het rechterkoppel stenen een elektrische aandrijving geplaatst. Het drijfwerk bestaat uit een as, die aan de ene kant met een riem door de elektromotor wordt aangedreven. Aan de andere kant bevindt zich een conische tandwieloverbrenging voor de aandrijving van de steenspil. In dezelfde tijd werd een houten elevator geplaatst. Aan de kop werd een omstelkast aangebracht, waarop voor elk koppel stenen een uitloopkoker was aangesloten. De elevator werd tevens uitgerust met stofafzuiging. De koningspil werd met een verjongd deel tot boven de steenzolder verlengd. In het bovenste deel daarvan werden met een conische tandwieloverbrenging twee transmissieassen aangedreven, waarop de bloembuil en een luiwerk waren aangesloten. Deze voorzieningen hadden tot gevolg dat de capaciteit en de omzet van de molen sterk werden verhoogd.

In de Tweede Wereldoorlog was de Oliemolen het hoofddepot van de Heerlense graanvoorziening. Voor de meelvoorziening waren toen alle bakkerijen van Heerlen op de Oliemolen aangewezen. Het bedrijf floreerde tot in de jaren vijftig. Zijn naam kwam voor op autos en zelfs de uniformpetten van het personeel.

De laatste eigenaar August Hubert Caspar Wetzels had als mede-eigenaar Maria Hubertina Elisabeth Wetzels, gehuwd met Dominicus Schrijvers. Na hun overlijden erfden de kinderen Schrijvers in 1954 de molen met aangehorigheden.
Eigenaar werden Maria Elisabeth Theresia; Jozef Hubert August en August Caspar Dominicus Schrijvers, elk voor 1/3 deel. Na scheiding en deling in 1960 werd Jozef Hubert August Schrijvers, landbouwer in Heerlen eigenaar en na boedelscheiding in 1980 werd Josephine Johanna Maria Schrijvers te Heerlen eigenaresse.

Op het einde van de jaren vijftig werd de molen buiten bedrijf gesteld. Twintig jaar later waren de vijver en de waterloop geheel verzand. De andere waterwerken en het rad met kanjel waren geheel vervallen.
In de jaren 1977-1978 werd de molen door de B.V. Bouw- en Aannemingsmaatschappij Vic. Laudy uit Sittard gerestaureerd. Het waterrad en onderdelen van de maalinrichting werden vernieuwd. Twee koppels stenen werden gehandhaafd, waarvan één koppel kunststenen en één koppel bestaande uit een kunststeen en een Franse steen als ligger. Ook de elevator en het luiwerk voor het transport van maalgoed zijn nog aanwezig. Op 5 oktober 1979 werden met enige festiviteiten de sanering van de Caumerbeek en de restauratie van de Oliemolen afgesloten.

In 1981 verkocht de eigenaresse J. Schrijvers de molen met aanhorigheden aan de vennootschap Het Eiken Ambacht gevestigd te Heerlen. Na boedelscheiding in 1984 werd een der vennoten van voornoemde vennootschap en later zelfstandig ondernemer Mathieu Johannes Lendfers eigenaar.

De molen is thans (2001) in bezit van de heer en mevrouw Reesink. Er wordt gemalen en er worden ook eigen producten verkocht. Pas geleden is de molenvijver opgeschoond waardoor er weer voldoende water is om te malen.

© ?

© Foto: Harmannus Noot (juli 2005).
Draag zelf bij

Laatst bijgewerkt: zondag 25 september 2011 | Geschiedenis

bovenzijde Colofon en copyrights    

zoek in database zoek op provincie Stuur een e-mail over molen Oliemolen, Heerlen home vorige pagina