|
© Foto: Frits Kruishaar (04-10-2008). |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Romp | Ronde stenen molen | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Kap | Gedekt met daklleer | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Vlucht | 24,60 m. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Wiekenvorm | Systeem van Bussel met neusremkleppen op beide roeden | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Wiekenkruis |
Bovenas |
Geschiedenis
Deze merkwaardige windmolen staat in de buurtschap Vroendaal, ten noorden van het dorp Gronsveld, langs de oude rijksweg Heer-Eijsden. Het is een torenmolen, waarvan ons land nog vier exemplaren telt; bovendien is het de meest zuidelijk staande windmolen van Nederland.
Torenmolens worden gekenmerkt door een zware rechtop gaande romp van baksteen. Vanwege de grote middellijn aan de top hebben ook de kap en de kapzolder forse afmetingen. Het zijn normaal gesproken binnenkruiers, waarbij de kap met wiekenkruis in de wind wordt gezet door een kruiwerk dat op de kapzolder wordt bediend. Grondsveld wijkt sterk af van dit principe: vermoedelijk in 1766 werd de molen met het taps verlopende deel verhoogd. Er werd een aarden berg met een grondkerende muur van mergelblokken aangelegd (waardoor de molen een beltmolen werd) en een staart gehangen. In die tijd is waarschijnlijk ook een koning met spoorwiel aangebracht, waardoor het mogelijk werd twee koppels stenen in de molen te leggen. Deze waren in het begin van deze eeuw nog aanwezig. De oudste torenmolens hadden oorspronkelijk meestal één koppel stenen dat in het midden van de romp lag en waarvan het steenrondsel op het staakijzer direct door het aswiel werd aangedreven. Het oude aswiel, dat bij de brand in 1944 verloren ging, droeg het jaartal 1766 en werd toen waarschijnlijk aan de nieuwe overbrenging aangepast. De Gronsveldse molen heeft een fraai gevormde mansardekap, die vroeger met spaan was gedekt. De afmetingen van de toren zijn fors te noemen. Dit komt tot uitdrukking in de lengte van de lange spruit: 16,25 m. (normaal is ongeveer 12,50 m.), waarbij de lange schoren, die aan deze spruit zijn gehangen nog rakelings langs de romp bewegen. De buitenste steenlagen zijn onderbroken door spek- of mergelbanden, een krans van mergelblokken. Onder de maal- of meelzolder bevindt zich een tussenzolder, die als opslagruimte heeft dienst gedaan. Onder de vloer daarvan en boven de inrit bevindt zich een stenen gewelf. De romp heeft tot de steenzolder een muurdikte van 1,90 m. en in deze muur is een aantal voorzieningen aangebracht. Om de zolders te kunnen bereiken zijn daarin wenteltrappen gemetseld. De zakken worden gehesen en neergelaten door een schacht of koker in de muur, waarboven een luiwerk is geplaatst. In de schacht bevinden zich op elke zolder tweedelige zakkenluiken. De schijf op de as van het luiwerk loopt over een baan, die op de bovenzijde van het spoorwiel is aangebracht. Het gaffelwiel voor handbediening bevindt zich in de molen voor de schacht. Op de steenzolder bevindt zich een deur voor het binnenbrengen van molenonderdelen. In de romp bevinden zich ter hoogte van de maalzolder twee tegenover elkaar liggende stookplaatsen (open haarden) met rookkanalen. Aan de bovenzijde monden deze uit in een dwarskanaal, dat eindigt in een steigergat. Afhankelijk van de windrichting is een van beide stookplaatsen steeds bruikbaar. De bouwtijd van de oorspronkelijke molen liep van 1618 tot 1623. Bouwheer was Joest Maximilian van Bronckhorst, graaf van Gronsfelt etc. Het financiële beheer van de bouw was in handen van de rentmeester Van Huyckelhoven, aan wiens noteringen van de uitgaven en inkomsten, die bewaard zijn gebleven, de bouw kan worden gevolgd. De molen, tevens een banmolen, vererfde in de grafelijke familie Van Bronckhorst en kwam door huwelijk later in het bezit van het geslacht de Törring. In de Franse Tijd werd de molen in beslag genomen en als domeingoed in 1805 openbaar verkocht. Eigenaar werd de Maastrichtse notaris Jan Theodoor van Gulpen, die regelmatig op dergelijke openbare verkopen verscheen en vaak de hoogst biedende was. In 1822 verkocht hij de molen aan de molenaar Jacobus Jacobs, die in het naburige dorpje Heugem aan de Maas woonde. Jacobs liet eerst bij de molen een huis bouwen en voegde er later nog een stal en schuur aan toe om ook een boerenbedrijf te kunnen uitoefenen. Na het overlijden van Jacobus kreeg Catharina Jacobs, gehuwd met Hendrik Bemelmans, de molen. In 1874 liet zij door de notaris een akte van scheiding en deling opmaken. Zij ontving de helft van de molen met aanhorigheden, haar kinderen Jacques, Hubertina, Alphonsine en Marie de andere helft. Na de dood van Catharina Jacobs werd in 1889 een nieuwe akte van scheiding en deling opgemaakt. Aanwezig waren daarbij Jacques en Hubertina Bemelmans. Alphonsine Bemelmans, echtgenote van Hubert van Houdt, molenaar en grondeigenaar in Gronsveld en afkomstig uit Beek-Klein Genhout en Antoine Nolden, molenaar in Allem (B.), echtgenoot van Marie Bemelmans. De molen met huis werden toegewezen aan Alphonsine Bemelmans. In de jaren zestig van de 19e eeuw deed zich een bijzonder feit voor. Langs de huidige rijksweg werden toen bomen geplant, hetgeen tegen de zin van Catharina Jacobs was omdat zij vreesde dat die wegbeplanting de windvang van de molen zou belemmeren. Zij diende daarom op 22 februari 1863 bij de provincie een bezwaarschrift in. In het antwoord dat zij van de gouverneur ontving, werd gesteld dat de aanplant de eerste 12 ŕ 15 jaar geen windbelemmering zou opleveren en dat na die tijd de bomen door jonge aanplant zouden worden vervangen. Zij nam echter met dit antwoord geen genoegen en wendde zich in 1866 met een rekest tot de Kroon. Dit had succes en leidde ertoe, dat de bestaande beplanting werd vervangen door laagblijvende bolaccacia. Verder werd bepaald, dat deze bomen gerooid en vervangen moesten worden door gelijksoortige jonge bomen in het najaar 1880 of zoveel vroeger als mocht blijken dat dit in het belang van de molen wenselijk is. Dit voorbeeld van windbelemmering kreeg landelijke bekendheid en kan nog actueel zijn. De unieke wegbeplanting is nu nog aanwezig. Rond 1900 was naast het maalbedrijf het boerenbedrijf de belangrijkste bron van inkomsten. Dit zou zo blijven. De molen was geheel windafhankelijk en had geen mechanische hulpkracht. In 1919 verkocht Alphonsine Bemelmans de molen met aanhorigheden aan de houtkoopman Bernard Dahmen te Heerlen. Vier jaar later verkocht Dahmen de molen aan bakker Henri Jacobs te Gronsveld. Vanaf 1924 werd Joseph Michael Thomma pachter van de molen met aanhorigheden. Hij legde zich voornamelijk op het boerenbedrijf toe. De molen verviel in de loop der jaren en Thomma schafte zich omstreeks 1930 een elektrisch boerenmolentje aan van het fabrikaat Van de Putten uit Geldrop (N.B.). Deze eenvoudige en goedkope maalstoeltjes waren in de jaren dertig nogal populair en werden voornamelijk door grote boeren gebruikt, die zelf hun graan tot veevoer maalden. Tegen deze wijze van malen voerden de molenaarsbonden in die jaren acties, die voornamelijk gericht waren tegen de fabrikanten en leveranciers van dit soort maalstoelen. In de crisisjaren was de toestand van de molen zodanig, dat hij uitwendig geheel als vervallen werd beschouwd. In 1941 namen enige vrienden van de Stichting Het Limburgs Landschap en de Vereniging De Hollandsche Molen het initiatief tot restauratie. Er volgde een aantal publicaties om de aandacht op het verval te vestigen, waarvan die in het tijdschrift De Nedermaas de belangrijkste was. Chr. van Bussel uit Weert stelde een restauratieplan op. De hoeveelheid benodigde materialen, die in de oorlogsjaren erg schaars waren en de kosten hadden intussen een zodanige hoogte bereikt. dat er geen goedkeuring voor de restauratie kon worden gegeven. Op 13 september 1944, kort voor de bevrijding, nam een Duitse eenheid stelling bij de molen als onderdeel van hun streven om de weg Maastricht - Heer - Vaals zolang mogelijk open te houden. Nog dezelfde dag vielen de Amerikanen de post aan. De Duitsers werden verdreven, waarbij de molen in brand geraakte. Wat de precieze oorzaak was, is nooit achterhaald. In 1945 kwam er een scheiding in de eigendommen van Henri Jacobs en werd de verbrande molen met aanhorigheden, voor 1/4 deel ieder, eigendom van. In 1959 werd de uitgebrande romp gerestaureerd met roeden, bovenwiel en lange spruit van een molen uit Horssen (Gld). Het andere gaandewerk kwam van de gesloopte beltmolen te Maarheeze; In de vroege jaren ´70 werd de molen draaivaardig gemaakt en is sindsdien regelmatig in bedrijf. Aanvullingen
Over de naam:
Deze molen wordt nooit anders aangeduid dan "de Torenmolen van Gronsveld" Overige wetenswaardigheden:
Om verwarring te voorkomen: het dorp Gronsveld ligt in de gemeente Eijsden; deze molen staat in de gemeente Maastricht. Gronsveld kent ook een (ander) adres Rijksweg 90, maar dan met postcode 6247 AK. Uniek aan deze molen:
De enige torenmolen met een buitenkruiwerk De oudste nog bestaande windmolen van Limburg De zuidelijkst gelegen windmolen van Nederland
©
Foto: Harmannus Noot (juli 2005).
©
Foto: Frits Kruishaar (04-10-2008).
©
Foto: Rob Pols (27-07-2006).
Molen in de steigers voor herstel van het muurwerk.
Laatst bijgewerkt: dinsdag 31 augustus 2010 |