Verwijzingen
Geschiedenis
De Volmolen was in zijn tijd een onderdeel van de Vaalser lakenindustrie. De afstand om het laken met paard en wagen van Vaals naar Epen en terug te vervoeren, was voor de fabrikanten geen belemmering. De ligging van de molen op de Geul had namelijk het voordeel, dat er veel water beschikbaar was. De mogelijkheden om te vollen waren in de omgeving van Vaals beperkt. In de Franse Tijd maakte de molen deel uit van de lakenfabriek van Charles de Clermont. Zijn vader Johann Arnold von Clermont had de lakenfabriek van Aken naar Vaals verplaatst, waar de fabriek zich ontwikkelde tot een omvangrijke lakenindustrie. Tijdens het bewind van Napoleon gingen belangrijke exportlanden verloren, waardoor Clermonts lakenindustrie over haar hoogtepunt heen raakte en tenslotte zelfs ophield te bestaan.
Op 18 juli 1834 kwam de molen, die toen een tijd buiten werking was geweest, in het bezit van de fabrikant Johann Wilhelm Kannengiesser. Hij breidde de molen in 1836 uit met een wolspinnerij, waarvoor de machines uit zijn spinnerij in Düren (Pruisen) werden overgebracht.
Het gebouw van breuksteen, zoals we dat nu kennen, dateert mogelijk uit die tijd met de aanzet naar een vleugel. In de periode daarna vonden er 33 personen werk. Kannengiesser stierf echter reeds in 1836, maar zijn weduwe zette het bedrijf nog vele jaren voort, totdat haar oudste zoon Wilhelm de leiding kon overnemen. Aan de molen liet zij nog een lakenfabriek bouwen; Wilhelm voegde er later nog een dekenfabriek en een kunstwolmolen aantoe. In het midden van de vorige eeuw bestond het complex uit een groot molengebouw langs de Geul met twee ruime verdiepingen, een grote fabrieksvleugel die met de kop op de molen aansloot en tot het einde van de perceelsgrens doorliep en een aantal bijgebouwen. De drijfkracht werd geleverd door een ijzeren middenslagrad met een middellijn van 3,71 m. en een breedte van 2,74 m.
In 1867 brandde het bedrijf af. De fabriek werd daarna niet meer door Kannengiesser gebruikt. Twee jaar later had de firma Coumont en Paulus de molen als spinnerij en vollerij in gebruik; in 1870 brandde ook dit bedrijf af, waarna de zaak werd verkocht: een (afgebrand) fabrieksgebouw met woning, pachterswoning, schuur, stallen en verdere gebouwen, plaats, tuin, boomgaard, waterstroom en weg. De hoogst biedende was Jan Hubert Lintzen, brouwer en brouwmeester, woonachtig in Mechelen,die handelde in opdracht van Jan Lodewijk Hoeberechts, koopman in Maastricht. Hoeberechts liet de volmolen ombouwen tot graanmolen en werkplaats. De fabrieksvleugel werd afgebroken. Door het dichtmetselen van ramen en gebouwaansluitingen met baksteen ontstonden nogal opvallende afwijkingen in de fraaie gevels van breuksteen. Door deze ombouw tot graanmolen kwam er een einde aan de Eper textielnijverheid.
Eén van de nazaten Hoeberechts verkocht de molen op 19 november 1921 aan Joseph Hubert Brauers. Deze liet onder andere in de jaren 1928 en 1947 enige verbouwingen uitvoeren, waarbij het complex het huidige aanzien kreeg. Na 1945 was de graanmolen van ondergeschikt belang: de familie Brauers legde zich voornamelijk op de veehouderij toe.
De molen ligt op een zijtak van de Geul, die zich ongeveer 220 m. bovenstrooms uit de linkeroever afsplitst. In de Geul lag een verdeelwerk met vier sluizen, dat in de winter van 1922-1923 tijdens hoogwater werd weggeslagen, en daarna werd vervangen door een vaste overlaat en een sluis met twee openingen. In 1928 werd het waterrad, dat een middellijn van 3,57 m. en een breedte van 1,65 m. had, vervangen door een Francisturbine, geleverd door de Machinefabriek en IJzergieterij P. Konings uit Swalmen. De turbine werd in de molentak geplaatst en voorzien van een gemetselde ombouw met lessenaarsdak. Het maalwerk werd geleverd door de Ateliers de Construction L. Michel-Simonis uit Jupille bij Luik. De maalstoel bestond uit gietijzeren kolommen en had twee koppels 16der stenen, die met riemen werden aangedreven. Op elke steenspil bevond zich een vrijdraaiende riemschijf, die aan de onderzijde was voorzien van een helft van een klauwkoppeling. De andere helft van deze koppeling was over een inlegspie op de steenspil in hoogte schuifbaar, om de loper in of uit het werk te zetten. Op de vertikale turbine-as bevonden zich twee riemschijven, elk voorzien van een riem die naar een riemschijf op de steenspil liep.
Op 30 juni 1973 brak brand uit in de - toen al meer dan twintig jaar buiten werking zijnde - molen. De zolder werd op dat moment gebruikt voor de opslag van hooi; hooibroei lijkt dan ook de oorzaak van de brand te zijn. Enige jaren daarvoor waren er reeds door de toenmalige burgemeester van Wittem, J.J.M. Ficq en eigenaar J. Brauers, plannen gemaakt om de molen te restaureren. De brand van 1973 versnelde deze voorbereiding. De turbine was door langdurige stilstand en verzanding onbruikbaar geworden. In dezelfde toestand verkeerde het gang- en maalwerk na de brand. Vervangende onderdelen waren niet beschikbaar.
In het kader van het Monumentenjaar 1975 schonk de directie van de Maatschappij Onroerend Goed Oranje-Nassaumijnen te Heerlen, eigenaresse van de voormalige Eikendermolen in Heerlen, het complete gangwerk en de maalstoel van die molen. De restauratie van de molen werd opgedragen aan het Bouw- en Aannemingsbedrijf Vic. Laudy te Sittard.
Door gebruikmaking van het gangwerk van de Eikendermolen was het noodzakelijk ook voor de volmolen een waterrad toe te passen. Het rad met de as en de coulissenbak voor de watertoevoer naar de schoepen werden geleverd door de Machinefabriek Konings uit Swalmen. Het is een middenslagrad met een middellijn van 5,50 m. en een breedte van 1,75 m., voorzien van een krop. Onder normale condities treedt het water door een of meergebogen coulisse-openingen, te beginnen met de bovenste, op de geprofileerde schoepen van het waterrad. Is er zeer weinig water, dan kan het rad ook als onderslagrad werken doorhet openen van een paar kanalen in de voet van de betonnen krop. Deze kanalen kunnen tevens als spuikanalen dienst doen. Naast het waterrad werd ook de afslagtak vernieuwd. Een koppel 16der rogge- en eenzelfde koppel tarwestenen werden geleverd door de firma Rutgers uit Wageningen. Op 10 maart 1977 werd de molen door oud-landbouwcommissaris van de E.E.G. ir. P. Lardinois feestelijk in bedrijf gesteld. In de molen werd een gedenksteen onthuld ter nagedachtenis aan de weduwe Brauers-Thywissen, eigenaresse, die tijdens de restauratie stierf.
Om de molen voor de toekomst veilig te stellen, droeg de familie Brauers hem over aan de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland, die nog twee andere objecten in het Geuldal in eigendom verwierf.
Voor de exploitatie werd de Stichting De Volmolen Epen opgericht, een initiatief van J.J.M. Ficq, die met de Stichting Het Echte Bakkersgilde een contract afsloot voor de levering van tarwemeel aan Limburgse bakkers die bij deze stichting zijn aangesloten. In Jacques Vrehen uit Wittem, die bij zijn schoonvader op de Wittemmermolen het malen had geleerd, vond de stichting een toegewijd molenaar. In de loop der jaren werd de inrichting uitgebreid met grondstoffensilo's, een graanreiniger, transportschroeven, tarwepletter en meelafzuiging op de maalstenen. Opvolgers van Vrehen waren A.G. Kroonen en Leon de Vries.
Aan deze bedrijvigheid kwam in september 1994 een einde: toen Leon de Vries molenaar werd, werd 10 ton meel per week geproduceerd. Aan het einde was dit 3 tot 7 ton per week. Dus commercieel gezien was het niet meer rendabel: in 1992 gingen namelijk de grenzen met onze buurlanden open, waardoor het makkelijk voor Duitsland werd, hun goedkopere meel op onze markt te dumpen, aangezien zij een grote overcapaciteit aan meel hadden. In die tijd werden er ook verschillende bakkerijen overgenomen door jongere bakkers en er moest dus op het geld gelet worden. Dus er werd meer meel van de meelfabrieken gekocht. Het was een stuk goedkoper. Dit waren de hoofdredenen dat de molen als commercieel bedrijf moest stoppen.
Thans draait de molen regelmatig op zaterdagen. Graan wordt er nog gemalen als veevoer voor boerderij Huntjens te Schin op Geul. Sinds het einde van 2009 wordt de molen ook gebruikt voor het opwekken van groene stroom.
Aanvullingen
Over de naam:
Tot een brand in 1870 functioneerde deze molen als volmolen. Deze naam bleef intact na het herstel van de brandschade en de bijbehorende ombouw tot korenmolen.
Overige wetenswaardigheden:
De Francisturbine, die van 1928 tot 1973 in deze molen aanwezig was, wordt los naast de molen op de binnenplaats bewaard.