|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Romp | Ronde stenen molen | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Kap | Gedekt met riet | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Vlucht | 26,35 m. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Wiekenvorm | Oudhollands | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Wiekenkruis |
Bovenas |
Geschiedenis
Ter plaatse van de huidige stenen grondzeiler stond voor 1844 een wipmolen, die een behoorlijk verleden had: op 24 november 1588 werd in een vergadering van het plaatselijk bestuur besloten tot de bouw van een nieuwe Kerkmolen [...] alsoe de ouwe nyet doegt’. Het bij de sloop vrijgekomen balkhout werd kort daarop verwerkt onder de fundering van een nieuw te bouwen toren aan het schip van de Nederlands Hervormde kerk van Molenaarsgraaf.
Het bovenhuis en de koker van de wipmolen werden in 1725 vervangen. Op 5 januari van dat jaar werd de ingrijpende herstelbeurt in het openbaar aanbesteed. De molen werd in het bestek aangeduid als de ‘Oosteyndse watermolen’, dus als tegenhanger van de tweede molen van de polder, de Westeindse Molen. Volgens het bestek moest onder de hals van de bovenas een ‘betste voor de molenaer’ worden gemaakt. Molenmaker Aalbert Crul die het karwei voor f 1.440 aannam, moest de nieuwe koker en het nieuwe bovenhuis binnen vijf weken hebben geplaatst. Op 23 augustus 1843 brandde de wipmolen door blikseminslag af. Er werd besloten een ronde stenen grondzeiler te laten bouwen naar een door Leendert Roodnat uit Sliedrecht te maken bestek. Roodnat bleef ook daarna als dagelijks opzichter bij de bouw van de molen betrokken en verzorgde de aankoop van materialen. Van 26 augustus 1843 tot 1 mei 1844 was hij als zodanig in dienst bij de polder waarvoor hij f 423 kreeg. Als metselaars van de romp werden genoemd Dirk Verheul uit Giessendam, Dirk Luthart en Anthony de Kovel. Dagelijks opzichter van het metselwerk was Wouter Jacobus Versteeg uit Sliedrecht. Er zouden in totaal ongeveer 248.000 stenen in de molen zijn verwerkt die waren gekocht bij de Gebr. ‘t Hooft in Dordrecht. De stenen werden per schip aangeleverd in 21 partijen met een wisselende hoeveelheid van 3.000 tot 26.000 stenen per vracht voor een totaalprijs van f 1.228,85. De benodigde tras en kalk werd geleverd door Penn & Bauduin uit Dordrecht. Het voegen van het metselwerk werd uitgevoerd door M.J. Verhey uit Sliedrecht. De overige onkosten bestonden in hoofdzaak uit de volgende leveranties en arbeidslonen: - P.W. Hesmery, Dordrecht, voor geleverd staal en ijzer f 83,00; - het door Jan Schouten uit Dordrecht leveren van een grenen roede f 350; - door houthandelaar Fop Smit geleverd hout f 3.318,80; - smid Jan PoIs (Vuilendam) voor geleverd smeedwerk f 300,00; - door Gerrit van der Laan uitgevoerd timmerwerk f 1.440,00; - voor de leverantie van materiaal en arbeidsloon, buiten het bestek om, aan Gerrit van der Laan f 264,35; - door smid Jan Mes uit Nieuw-Lekkerland geleverd ijzerwerk f 29,30; - voor het leveren en stellen van een ijzeren scheprad door ijzergieterij De Waal & Van Driest uit Utrecht f 898,50; - het leveren van een grenen spil door Amoldus de Groot uit Dordrecht f 130,00; - voor het leveren van zand door W. Vlot uit Bleskensgraaf f 12,00; - voor het leveren van verfstoffen door N.C.M. van Someren Brand uit Dordrecht f 14,90; - voor de leverantie van ijzer en staal (waaronder de bovenas) door de Nederlandsche Stoom Boot Maatschappij te Rotterdam f 935,31. De totale bouwkosten waren volgens bet bestek begroot op f 12.706. Op 7 mei 1926 besloot het polderbestuur, na uitgebracht advies van M.F. Visser uit Delft, in de molen een elektromotor van 60 pk. te plaatsen die door middel van een overbrenging het scheprad kon aandrijven. Hierdoor was men minder afhankelijk van de wind en van de tweede molen. In 1927 werd de Westeindse Molen dan ook gesloopt. Nadat in 1975 de bemaling van de polder werd gecombineerd met de polder Giessen-Oudebenedenkerk, werd de elektromotor weer uit de Kerkmolen verwijderd. In 1971 kocht de gemeente Molenaarsgraaf de molen aan voor het symbolische bedrag van ƒ 1,-. In het daaropvolgende jaar werden ingrijpende herstellingen uitgevoerd, zoals repareren van roeden en staart, opnieuw ophekken van het wiekenkruis, gedeeltelijk vernieuwen van het rietdek van de kap, aanbrengen van een nieuw windpeluw en voorkeuvelens en uitvoeren van herstellingen aan het metselwerk van de romp. Door verscheidene kleinere reparaties bleef de molen ook nadien flinke financiële offers vragen van de gemeente. Om die reden wilde het college van B&W in juli 1983 de molen voor ƒ 1.- verkopen aan de SIMAV. De meerderbeid van de raad kon zich hier echter niet in vinden. Er werd een fonds gevormd, gevoed door de saldi-reserves van de gemeente, vanwaaruit de onderhoudskosten zouden worden betaald. In de daaropvolgende jaren zijn grote bedragen uitgegeven aan ondermeer het waterdicht maken van de romp en het aanbrengen van een nieuw wiekenkruis. Op 1 juni 1987 besloot de gemeente Graafstroom waarvan Molenaarsgraaf sinds 1 januari 1986 deel uitmaakt, de molen toch in beheer te geven aan de molenstichting. Gelijktijdig met de overdracht van de molen werd ook de naastgelegen molenaarswoning, tot dan eigendom van het hoogheemraadschap, overgedragen, elk voor de bekende gulden. Aanvullingen
Overige wetenswaardigheden:
De staven van het onderschijfloop zijn in gietijzer uitgevoerd. Opmerkelijk is dat ze niet de normale ronde maar een ovale doorsnede hebben. Evenzo opmerkelijk is dat deze grote molen slechts één toegangsdeur heeft: de tweede werd in 1926, toen de motor werd aangebracht en gedacht dat er toch veel minder op windkracht zou worden gedraaid, gedeeltelijk dichtgemetseld tot een raam.
Laatst bijgewerkt: maandag 30 augustus 2010 |