Nederlandse Molendatabase
Leiden, Zuid-Holland
Database nr. 1028
Inventaris nr. ZH038
Ten-Bruggencatenr. 00069
Naam De Valk
Bouwjaar 1743 / 1947
Type Stellingmolen
Kenmerken Ronde stenen molen
Ligging 2e Binnenvestgracht 1
2312 BZ Leiden
Rijksdriehoek X: 93359 Y: 464421
toon op kaartje
toon in Google Streetview
Gemeente Leiden
Kadaster Gemeente Leiden, sectie B, nrs. 3452 en 3453
Monumentennummer 25655
Landsch. waarde Belangrijk vanuit de stad, maar wordt tussen W en NW sterk verkleind en in windvang belemmerd door hoogbouw
Eigenaar Gemeente Leiden sinds 1943; daarvoor W. van Rhijn
Bedrijfsvaardigheid Maalvaardig
Bestemming Het malen van graan, thans op vrijwillige basis; molenmuseum
Molenaar Hennie van der Lelie
Telefoon 071-5165353 (molen)
Bezoekmogelijkheid Dinsdag t/m zaterdag 10.00 - 17.00 uur; zon- en feestdagen 13.00 - 17.00 uur


© Foto: Rob Pols (28-7-2012).
Constructie
Romp Ronde stenen molen
Kap Gedekt met hout en dakleer
Vlucht 27,00 m.
Wiekenvorm Oud-Hollands
Wiekverbeteringen Deze molen heeft nooit een wiekverbetering ondergaan
Wiekenkruis
Fabrikaat Nummer Positie Jaar Steek Verdw. Lengte
klik voor meer info ??buiten?1881194327.00 m.
klik voor meer info Derckx0250buiten19781978aanw.27.00 m.
klik voor meer info Derckx0251binnen19781978aanw.27.00 m.
klik voor meer info Pot1880buiten19001947197826.40 m.
klik voor meer info Pot1612binnen18901947197825.80 m.
Bovenas
Fabrikaat Nummer Jaar Steek Verdw. Lengte
klik voor meer info-?1849?aanw.05.40 m.
Kruiwerk 45 pokhouten rollen; kruirad
Vang Losse Vlaamse blokvang uit vier stukken; vangbalk met haak; vangstok; kneppel
Inrichting Twee koppel 17der blauwe stenen; restanten van twee andere koppels 17der stenen; twee regulateurs; sleepluiwerk; afschietwerk.
Museum in de molen (voorheen twee woningen).
Overbrengingen Bovenwiel 73 kammen
Bovenschijfloop 32 staven, steek 12,2 cm.
Spoorwiel 97 kammen
Steenschijflopen 30 resp. 34 staven
Overbrangingsverhoudingen resp. 1 : 7,38 en 1 : 6,51
Hoogte van de stelling: 14,60 m.; van de berg: 2,40 m.
Molenmaker Foyt van Leeuwen, Warmond (1743)
Fa. de Gelder, Oegstgeest (1947)
Versiering
Eenvoudige baard, lichtgeel geverfd, donkergroen afgebiesd, met in donkergroen het opschrift:
ANNO 1743
De VALK

Eenvoudige achterbaard, creme geverfd, met gelobde motieven.

Fraaie gevelsteen aan de zuidkant met de tekst:

De Valk
is gestigt door
Adrianis van Leeuwen
en Maarte van Royen
de eerste steen gelegt
door Pieter
van Deventer den 20
Juli. de laaste door
Maarten van Royen
den 7 october
Anno 1743.


(N.B. Hieruit blijkt, dat men deze enorme molen in slechts 11 weken opmetselde!)

Het spoorwiel is afkomstig uit de voorganger en heeft het fraai ingehakte jaartal ´1697`.

Verder achterop de kap een windvaan in de vorm van een valk met daaronder de sleutels, symbool van de stad Leiden.
Verwijzingen
Eigen website De Valk
allemolens.nl zoek op Ten-Bruggencatenummer in allemolens.nl naar aanvullende informatie
Voorganger De Valck, Leiden
Geschiedenis
Deze molen heeft twee voorgangers gehad: de eerste 'Valck' werd gebouwd in 1612 en bleef in gebruik tot 1667. In 1667 werd de standerdmolen vervangen door een achtkante stellingmolen op een houten onderbouw, uitgerust met meerdere koppels maalstenen en een woning.

De derde 'Valk' is de huidige molen: in 1742 vroeg de eigenaar van de tweede 'Valk', Maarten van Royen, aan het Leidse Gerecht toestemming voor de bouw van een zomerhuisje aan de oostzijde van de molen. Het Gerecht bepaalde echter dat de oude molen moest worden afgebroken. De molenaar stelde voor een nieuwe molen, een stellingmolen met een hoogte van 29 meter, te bouwen van gele ijsselstenen en een aangebouwde stal.
Het Leidse Timmermansgilde stak er een stokje voor, omdat Van Leeuwen geen burger van Leiden zou zijn. Maar Van Leeuwen had al in 1735 het poorterschap van de stad Leiden gekocht. Tevens had hij daarmee vergunning gekregen voor het timmeren van molens- en/of molenhuizen binnen de stad Leiden.
Voor de bouw moet van Leeuwen gebruik hebben gemaakt van oude onderdelen. Op het spoorwiel op de steenzolder staat het huismerk van de molenbouwer en het jaartal 1697.
Volgens de gevelsteen heeft de bouw maar kort geduurd: de eerste steen werd gelegd op 20 juli en de laatste op 7 oktober 1743, ofwel: de stenen romp is gebouwd in 11 weken!
De inrichting bood aanvankelijk ruimte aan de gezinnen van beide molenaars/eigenaren en iets later aan de molenaar en zijn eerste knecht.
Deze nieuwe stellingmolen was een stuk hoger dan zijn voorgangers en uitgerust met maar liefst zes koppel stenen. De belangrijkste klant van de molen was de Leidse Armenbakkerij.

In 1868 huurde Pieter van Rhijn (1848-1880), afkomstig uit Katwijk uit een familie die al vanaf de 18e eeuw molenaars had gekend, de molen van de toenmalige eigenaar Michiel van Leeuwen. Op 6 oktober dat jaar meldde hij zichzelf aan zijn toekomstige klanten; de oud-molenaars M. van Leeuwen en J. de Haas bevalen hem nadrukkelijk aan. In 1869 werd Pieter van Rhijn eigenaar.
Kort nadat Pieter van Rhijn molen De Valk had gekocht trad hij in het huwelijk met Jacobina Aleyda Schippers. Het echtpaar van Rhijn-Schippers kreeg 5 kinderen, Clasina (1870-1956), Bartha Johanna (1871-1955), Joannes (1873-1910), Willem (1877-1964) en Elisabeth Mariane (1879-1938).
De kinderen waren nog minderjarig toen hun vader in 1880, amper 32 jaar oud, overleed. Moeder van Rhijn-Schippers zette het maalbedrijf voort als de weduwe P. van Rhijn met enkele knechten o.a. meesterknecht J.J. Jansen (die hier 45 jaar zou werken).
Zoon Willem leerde hier anno 1897 het vak. In 1898 nam hij de boekhouding over en in 1911 de leiding van het bedrijf. Ook onder Willem van Rhijn draaide het bedrijf best, vooral op de zaterdag. Op die dag bezochten klanten de graanbeurs in de Burchtsteeg. De molen had tot aan het begin van de 20e eeuw veel werk te verzetten ondanks de concurrentie van de meelfabrieken. Het werk bleef komen en de molen maalde op windkracht.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd Van Rhijn benoemd tot rijksmaalder. Dit betekende dat hij uitsluitende maalde voor de regering en alleen op toewijzing aan de bakkers mocht leveren. En dat was vanwege de oorlog buiten de landsgrenzen mondjesmaat.
De toenmalige burgemeester, Jhr. Mr. N. C. de Gijselaar, heeft zich in de oorlogsjaren 1914-1918 persoonlijk met de voedseldistributie beziggehouden. De Leidse gezinnen kregen van alle kruidenierswaren een half onsje. In deze periode maakte de molen gebruik voor het eerst gebruik van een elektromotor en tot 1918 maalde van Rhijn voor de regering.

In 1921 werd de molenaar gedwongen een elektromotor te installeren, omdat hij klanten dreigde te verliezen. De elektrische maalderij was ondergebracht in het aanbouwtje van de molen en bestond uit twee koppel maalstenen. Verder was er op de derde en vierde verdieping een elektrische lijnkoekenbreker aangebracht.
Nadien braken er wat moeilijke jaren aan voor het bedrijf op De Valk. Het onderhoud van molen, machines en het gebruik van elektriciteit drukte zwaar op het bedrijf en de overheid gaf geen geldelijke steun. Gelukkig schrijft van Rhijn achteraf dat zijn maalderij toch voldoende geld heeft opgebracht om de totale kosten te dekken.

In 1925 ging het mis: tijdens het kruien brak de lange spruit en toen kon er niet meer op windkracht worden gemalen. Geld voor een nieuwe lange spruit of een reparatie was er kennelijk niet. Het bedrijf was nu volledig afhankelijk van de elektrische maalderij en er braken moeilijke tijden aan voor molen en molenaar. Begin jaren twintig werd in Leiden en omgeving voor het bakken van brood gebruik gemaakt van goedkoop tarwemeel van de Leidse Meelfabriek en tarwemeel van elders. Opnieuw minder werk voor molen en molenaar.

In 1932 overleed de weduwe P. van Rhijn. Aan de gemeente Leiden moest opnieuw vergunning worden gevraagd voor het gebruik van de grond. De vergunning voor gebruik van de grond was al een keer eerder nl. in 1880, bij het overlijden van Pieter van Rhijn, aangevraagd. In 1882 was bij akte van overboeking de vergunning voor het gebruik van de grond aan de weduwe verleend. Later bleek dat de grond waarop molen De Valk is gebouwd, sedert zeer lang in het bezit van de gemeente Leiden is geweest. Het recht van eigendom van de gemeente was echter nooit hypothecair vastgelegd en als zodanig beschreven. Er was geen bewijsstuk dat de grond aan de gemeente Leiden toebehoorde.
Wat volgde was een proces van tien jaar over het bezit van de molen. De gemeente wilde de beschikking krijgen over de molen, vanwege de slechte staat van onderhoud. De gemeente Leiden wilde de molen laten restaureren en als windmaalbedrijf onder van Rhijn laten functioneren. In 1938 sommeerde de gemeente dat de erven familie van Rhijn de molen moest verlaten. De familie weigerde echter te vertrekken. Opnieuw werd een rechtsvordering ingesteld tegen Van Rhijn maar uiteindelijk werd in 1943 besloten dat Willem van Rhijn en zijn zuster Bartha gedurende hun hele leven op de molen mochten blijven wonen. Beiden kregen tevens een uitkering om in hun onderhoud te kunnen voorzien en hoefden geen huur te betalen. Willem van Rhijn mocht met de elektrische maalderij blijven malen zo lang als mogelijk was.

Voor Willem van Rhijn werd het op 12 mei 1940 oorlog: Nederlandse militairen brachten zandzakken aan op de molenwerf en de molen werd ingericht als uitkijkpost. Duitse parachutisten sprongen boven het vliegveld Valkenburg af en de molen werd vanuit de lucht bestookt door vijandelijke jachtvliegtuigen en werd daarbij getroffen in de kap en de romp, gelukkig niet onherstelbaar.
De Nederlandse luchtafweer nam vanaf de omgeving Valkenburg met succes de Duitse vliegtuigen onder vuur.
Na de Nederlandse capitulatie moest de molen weer graan gaan malen voor het land. Er werd wel streng gecontroleerd op het af te leveren tarwemeel, dat uitsluitend op de bon mocht worden verstrekt.

Tijdens de strenge winter van 1942/1943 kreeg de molen grote hoeveelheden gekluite bloem te verwerken. Met de lijnkoekenbreker werden de kluiten bloem gebroken en daarna vermalen.
Vanaf 1943 werd de tarwe steeds schaarser en de molenaar moest op aanwijzing van de autoriteiten door de tarwe rogge mengen. Vanaf dat moment werd de controle op de aflevering van meel steeds strenger en ingewikkelder. Een mudje graan extra malen viel echt niet te verantwoorden. In de hongerwinter van 1944/1945 maalde van Rhijn ook groene erwten voor de gaarkeukens. Dat smaakte echter beter dan de pap gemaakt van gemalen van suikerbieten, de zogenaamde bietepap.
In de zomer van 1944 maakte de Duitse Wehrmacht loopgraven rond de molen en de Valkbrug werd afgebroken. De molen en omgeving werd in staat van verdediging gebracht. Het merendeel van de Duitse soldaten waren leden van de Technisch Dienst en geen echte frontsoldaten. Het waren vriendelijke mensen die waar nodig een oogje dicht knepen als er iets werd gedaan wat echt niet mocht.
Toch was het leven op de molen in die dagen niet zonder zorgen. Op maandag 4 december 1944 werd het Leidse NS-station en omgeving door Amerikaanse bommenwerpers gebombardeerd. Vanaf het station werden namelijk Duitse V-wapens opgeladen. De molen werd licht beschadigd, een nabije volkswijk werd met de grond gelijk gemaakt. Achteraf bleek dat de Amerikaanse piloten een station te ver de bommen hadden laten vallen. De V-wapens werden namelijk opgeladen op het stationnetje aan de Heerensingel, ook wel in de volksmond genoemd ‘Het Spoortje.

In de nadagen van de oorlog kreeg De Valk er een bewoner bij, Marcel Keezer. Deze verhuisde later naar één van de huisjes naast molen Windlust te Wassenaar en was daar, naast pottenbakker en keramist, taxateur van oude kunst.

Met het uitwendige van de molen ging het tussen 1940 en 1945 alleen maar slechter. In maart 1943 werden beide roeden gestreken. Kort daarna kwam bij een hevige storm een groot deel van de bouwvallige stelling naar beneden.

In 1947 werd de molen uitwendig hersteld, maar met het materiaal en de middelen van die tijd. Er werden twee tweedehands roeden gestoken; beide waren verlengd (maar vooral de binnenroe was nog steeds veel te kort (25,80 i.p.v. 27 m!)). Pas in 1978 werden zij vervangen door nieuwe gelaste exemplaren.

Willem van Rhijn overleed in 1964 op 87-jarige leeftijd. Na diens dood werd de molen ingericht als museum. Dit werd in 1966 in gebruik genomen en is tot de dag van vandaag een vooraanstaand molenmuseum.

Eind 2009 werd de 'Groene kamer', de stijlkamer die de familie Van Rhijn vanouds uitsluitend op zon- en feestdagen gebruikte, geheel gerestaureerd. Met name de wandschilderingen van Joannes van Rhijn, de jonggestorven broer van laatste molenaar, hadden dringend herstel nodig.

In maart/april 2010 werd de (uit 1947 daterende) stelling geheel vernieuwd. Het stellinghek is bij deze gelegenheid iets hoger gemaakt.

In de zomer van 2011 is de molen geheel 'ingepakt', waarna de stenen romp grondig onderhanden werd genomen en opnieuw gevoegd. Dit omdat de molen al jaren bekend als 'lek'. In juli 2012 werd er voor het eerst in bijna een jaar weer gedraaid.
Aanvullingen
Over de naam:
Niet alleen deze molen, maar ook beide voorgangers, werden al "De Val(c)k" genoemd. Dit omdat zij op het Valkenburger bolwerk gebouwd waren.
Trivia:
De bekendste bewoner die deze molen heeft gehad was ongetwijfeld cabaretier Paul van Vliet: deze studeerde rond 1960 rechten aan de Leidse universiteit en had een kamer gehuurd "bij Mijnheer van Rhijn".
Overige foto's

© Foto: Rob Pols (25-07-2006).

© Foto: Rob Pols (31-7-2012).

© Foto: Joram Wijling (22-5-2014).

© Foto: Rob Pols (31-7-2012).

© Foto: Rob Pols (31-7-2012).

© Foto: Rob Pols (31-7-2012).

© Foto: Henrik v.d. Weerd (30-11-2012).
Draag zelf bij

Laatst bijgewerkt: donderdag 16 oktober 2014 | Geschiedenis

bovenzijde Gebruiksvoorwaarden en auteursrechten    

zoek in database zoek op provincie Stuur een e-mail over molen De Valk, Leiden home vorige pagina